Opinie

Hoogste tijd voor heldere verhoudingen met Curaçao

koninkrijksrelaties

Commentaar

Curaçao wordt alsnog onder curatele gesteld. In april van dit jaar leek het erop dat het Antilliaanse eiland aan deze strafmaatregel zou ontkomen, maar de Rijksministerraad besliste op de laatste vergadering voor de zomer toch anders. Nederland wil met extra bevoegdheden orde op zaken gaan stellen om de aanhoudende en oplopende tekorten op de begroting van Curaçao terug te dringen. Het gaat inmiddels om een bedrag van 100 miljoen euro.

Volgens premier Rutte (VVD) moet de zogeheten ‘aanwijzing’ waardoor Nederland zich meer direct kan bemoeien met het bestuur van Curaçao niet worden beschouwd als oordeel over de huidige regering van het eiland. „We hebben veel vertrouwen in dit kabinet”, zei hij na afloop van de ministerraad. Nederland wilde slechts helpen, was zijn boodschap.

Dat dit op Curaçao anders wordt opgevat, blijkt uit de reactie van de regering in Willemstad. Die gaat tegen de aangekondigde maatregel in beroep. Volgens de bestuurders in Curaçao zijn de budgettaire problemen veroorzaakt door overmacht. Het land wordt direct getroffen door de crisis in buurland Venezuela die een vluchtelingenstroom naar het eiland op gang heeft gebracht.

Wanneer sprake is van buitengewone omstandigheden kan volgens de Rijkswet financieel toezicht een land van het koninkrijk afwijken van de begrotingsregels. Maar het College financieel toezicht concludeerde dat de begrotingsproblemen juist niet op het conto van de onrust in Venezuela kunnen worden geschreven. De tekorten van Curaçao zijn over een lange reeks van jaren ontstaan. Noodzakelijke maatregelen om de economie te hervormen en de overheidsfinanciën in het gareel te brengen zijn onvoldoende geweest, aldus de toezichthouder.

Ook nu weer spreekt de verantwoordelijke bewindspersoon voor het grotendeels autonome eiland, staatssecretaris Raymond Knops (Koninkrijkrelaties, CDA) over een structurele aanpak die nodig is. Alleen blijft dat krachtige voornemen altijd in goede bedoelingen steken. Wat dit betreft heeft de brief van Knops aan de Tweede Kamer waarin hij de aanwijzing aankondigt een hoog déjà vu-gehalte.

In 2012, twee jaar na de inwerkingtreding van het nieuwe Koninkrijksstatuut, kreeg Curaçao eveneens te maken met een aanwijzing als gevolg van financiële overschrijdingen. En ook toen was dit nodig om een structurele verbetering van de overheidsfinanciën tot stand te brengen. De vorderingen zouden worden bijgehouden („gemonitord”) maar dit heeft niet kunnen verhinderen dat de uitgaven opnieuw ontspoord zijn. Het roept wel de vraag op hoe effectief het toezicht is.

Het verschil met de vorige aanwijzing is dat Nederland Curaçao nu ook daadwerkelijk hulp in de vorm van technische assistentie aanbiedt om de vereiste structurele hervormingen tot stand te brengen. Die hulp moet dan komen bovenop het al eerder tussen Nederland en Curaçao overeengekomen samenwerkingsconvenant. Maar als de oorzaak van het probleem niet wordt erkend valt te betwijfelen wat hulp kan betekenen.

En zo houden Nederland en Curaçao elkaar vast zonder een stap verder te komen. De nieuwe staatkundige structuur die op 10 oktober 2010 van kracht werd, heeft de beloofde helderheid in de onderlinge verhoudingen niet gebracht. Integendeel. Dat er bijna negen jaar na dato nog altijd geen afdoende regeling tot stand is gekomen om geschillen in het Koninkrijk te beslechten zegt alles. Zoekgeraakte verantwoordelijkheden leiden tot zoekgeraakt geld.