Bruine bonen

Karima Aissaoui schildert met demente ouderen. Ze schrijft columns op basis van haar ervaringen. Deze week:

geschilderde gezichten.

‘Nu wordt het me een beetje te bont hoor.” Mevrouw K. trekt een paar gekke gezichten terwijl ze haar gemaquilleerde gezicht bekijkt. De spiegel in haar hand heeft een houten omlijsting met goudkleurige details. Een soort luxe variant van zo’n tandartsengeval. Zo’n spiegel die de tandarts je overhandigt zodat je een beetje ongemakkelijk je toegetakelde mond erin kunt bewonderen.

„Vindt u het te veel?”

Mevrouw K. fronst naar haar spiegelbeeld terwijl ze haar lippen lichtjes tuit. Ik bedenk me dat de make-uptrends met de jaren nogal wat zijn veranderd. Misschien heb ik me toch te veel uitgeleefd met de oogschaduw.

„Nou ja, niet te veel. Ik krijg zo alle mannetjes nog achter me aan. Vooral die overbuurman. Die wil wel een theetje met me drinken. Maar ik vind ’m niks hoor. M’n man zou het trouwens niet waarderen.”

Mevrouw K. draait nu haar hoofd om met een opgetrokken wenkbrauw de zijkant van haar gezicht te bekijken. Op het fornuis suddert een klein pannetje.

„We kunnen ook onze gezichten beschilderen”, opperde ze de laatste keer dat ik haar bezocht. Nu zitten we in haar woning op de tweede verdieping en heb ik haar opgemaakt. De muren in haar woning hangen vol met foto’s. Voornamelijk van haar man. Meneer K. is een jaar geleden overleden. Toen hij nog leefde was het echtpaar onafscheidelijk. De twee dineerden samen en deden zij aan zij hun dagelijkse parkwandeling. Nu heeft mevrouw K. geen toestemming meer om het verzorgingstehuis zonder toezicht te verlaten. Ze is slecht ter been en sinds het overlijden van haar man is haar geheugen snel achteruitgegaan.

Ze legt de spiegel neer.

„Blijf je eten vandaag?”

Terwijl ik een passend excuus verzin pak ik de spiegel op om m’n eigen gezicht te bekijken. In het opmaakproces van mevrouw K. heb ik m’n eigen lippen gestift. Pijnlijk roze.

„Ik moet m’n kat nog voeren.” In mijn gedachten klonk het minder stom. Mevrouw K. werpt een blik naar het pannetje op het fornuis. De inhoud is hoorbaar aan het pruttelen.

„Dan weet ik niet wie al die bruine bonen gaat eten hoor.”

Met een schuldgevoel neem ik me voor dat ik de volgende keer blijf eten. Mevrouw K. schuift haar stoel naar achteren om op te staan, maar blijft zitten om bedenkelijk voor zich uit te kijken. De oogschaduw kleurt haar rimpelige oogleden blauw.

„Ach nee, m’n man zal zo wel thuiskomen. Die is er meestal voor het avondeten.”

M’n hart krimpt ineen. Voor ze opstaat wendt mevrouw K. zich tot mij.

„Die roze lippen van je zijn me echt iets te bont hoor.”