Het echte slagveld komt nog

Slotweek De bergtoppen die de renners in de laatste dagen moeten nemen, kunnen het verschil maken. De Tour wordt een slagveld.

De Franse renner Romain Sicard op kop afgelopen zaterdag in de etappe naar de top van de Tourmalet.
De Franse renner Romain Sicard op kop afgelopen zaterdag in de etappe naar de top van de Tourmalet. Foto Anne-Christine Poujoulat/AFP

Het is deze maandag de laatste rustdag in de Tour de France en met de slotweek in het vooruitzicht kan het peloton twee conclusies trekken: de race is de spannendste in jaren én het ware beulswerk wacht nog. Want ook al hadden de eerste renners in de Pyreneeën al last van hoogteziekte – het zijn de Alpen waar de renners nog veel dieper moeten gaan. Het parkoers is erop ingericht om een slagveld te veroorzaken.
De verschillen in de top van het klassement zijn klein. De Fransman Julian Alaphilippe (Deceuninck-Quick-Step) kon afgelopen zondag niet met de besten mee, maar behield de gele leiderstrui. De eerste zes renners staan binnen een ruime twee minuten van de koploper. De Nederlandse kopman Steven Kruijswijk van Jumbo-Visma is derde (op 1.47 minuut) en mag nog hopen op de eindzege in de Tour. Na de rustdag op maandag volgen een vlakke etappe en een rit met relatief eenvoudig te bedwingen bergen. Daarna gaat het los.

Ze zijn boven de 1.800 meter gekomen, de vegetatie verandert langzaam van groen naar grijs, en een naargeestige dwarrelwind polijst de puntige keien. Voor zich zien ze de weg nog een heel stuk naar boven kronkelen, gemarkeerd door toeschouwers langs de kant, die het fysieke ongemak weldra op hun gezichten gebeiteld zullen zien staan. En dit is nog maar het begin. Na tweeënhalve week moet het ergste nog komen.

In de laatste drie dagen van deze Tour de France moet het peloton liefst zes keer naar een hoogte van meer dan 2.000 meter, en dat is in zo’n korte tijd zelden vertoond. Van donderdag- tot zaterdagmiddag staan in een tijdbestek van 48 uur achtereenvolgens de Col de Vars (2.109 meter), de Col d’Izoard (2.360 meter), de Col du Galibier (2.642 meter), de Col d’Iseran (2.770 meter), en aankomsten bergop in de skigebieden Tignes (2.113 meter) en Val Thorens (2.113 meter) op het programma. De organisatie hoopt op een slagveld op basis van natuurlijke selectie, met als resultaat de ultieme wielerkampioen. Onvoorspelbaar en dus spannend tot de laatste snik. Want, redeneert de ASO, op grote hoogte reageert elk lichaam anders, zeker met al bijna drieduizend kilometer in de benen. Het klassement kan aan het slot nog volledig overhoop gaan.

Lees ook: Als er in Parijs maar een Fransman op het hoogste treetje staat

Wat hoogte met een lichaam doet

Sportarts Guido Vroemen fietst zondagochtend met een groep bekende Nederlanders op de flanken van de Cormet de Roselend (1.968 meter), de eerste beklimming van aanstaande zaterdag, als hij door een krakerige telefoonverbinding uitlegt wat hoogte met het lichaam van een renner doet. „Door een lagere luchtdruk kunnen de longen minder zuurstof opnemen. En minder zuurstof betekent dat er minder koolhydraten kunnen worden omgezet in energie. Dat heeft direct gevolgen voor het prestatievermogen.”

Over hoeveel effect de hoogte precies heeft, lopen de studies uiteen. De sterk versimpelde stelregel is: hoe hoger je komt, des te moeilijker het wordt. „We weten dat je boven de 2.000 meter 12 procent minder goed bent dan op zeeniveau”, zegt bewegingswetenschapper Leon Burger, die wielrenner Thomas Dekker in 2015 begeleidde bij zijn werelduurrecordpoging op hoogte in Mexico. „Maar op 1.000 meter scheelt het ook al 3 procent.”

Voor Burger ligt het zwaartepunt van deze Tour in de etappe van vrijdag, nog preciezer in de laatste 35 kilometer. Tussen de Col d’Iseran en Tignes komen de renners niet meer onder de 1.500 meter. „Als je maar heel kort boven bent en gelijk weer afdaalt, voel je het niet zo erg. Maar in die rit blijven ze lang op hoogte. En dat in de derde week. Daar kunnen renners er wel eens helemaal doorheen zakken.”

Foto Yoan Valat/EPA

Drie weken boven 2.000 meter

Om prestatieverlies te beperken gaan sporters al sinds de Olympische Spelen van 1968 in Mexico-Stad (2.250 meter) op hoogtestage. Het begon met een paar dagen, maar inmiddels weet men dat sporters die drie weken boven de 2.000 meter slapen en ook trainen daar tot acht weken profijt van kunnen hebben. Hun lichaam gaat na een periode van acclimatiseren – meestal een kleine week – ter compensatie van de zuurstofschuld extra rode bloedlichaampjes aanmaken, en epo produceren. Maar ze moeten niet te lang op hoogte blijven, blijkt uit sommige studies. Dan raakt hun lichaam oververmoeid. Evenwel gaat fietsen op zeeniveau ook na een hoogtekamp nog altijd 7 procent makkelijker, weet Burger.

Hoe vaker duursporters zo’n periode van drie weken in hun carrière inlassen, hoe beter. Acclimatiseren gaat sneller waardoor ze eerder kunnen overgaan tot zwaardere trainingen. Zo deed Steven Kruijswijk in aanloop naar de Tour meerdere hoogtestages, de laatste begin deze maand nog in skigebied Tignes. Van de huidige nummer drie in het klassement is bekend dat hij goed reageert op hoogte, en dat is voor een deel genetisch bepaald, zegt Leon Burger. Bovendien deed hij het in zijn carrière al zo vaak. Zijn lichaam ‘herinnert’ zich de hoogte. Komt nog bij dat Kruijswijk in staat is een hoog niveau lang vast te houden. Hij keek voor de Ronde van Frankrijk met fonkelende ogen uit naar het verwachte slagveld in de Alpen.

Om de Tour te winnen zal Kruijswijk dáár nog wel met de boven verwachting presterende Fransman Julian Alaphilippe moeten afrekenen, de man die – tot de rit van zaterdag naar de Tourmalet – altijd minuten verloor als een klim de 2.000 meter oversteeg.

Bovendien is het hooggebergte het terrein van renners die boven de wolken opgroeiden, die met zijwieltjes al in de ijle lucht fietsten. De Colombiaan Egan Bernal, in 1997 geboren in Zipaquirá (2.650 meter), is in feite al 22 jaar op hoogtestage. Dat zou in de laatste 48 uur van deze Tour zomaar het verschil kunnen maken. Maar dan moet er inderdaad met (bijna twee) minuten worden gesmeten. Want met het ingaan van de epische laatste week is dat nog altijd de voorsprong van Alaphilippe.