Burn-out? Natuurlijk heeft dat te maken met werk

Werkstress Vanaf 2022 definieert de Wereldgezondheidsorganisatie een burn-out als een werkgerelateerd fenomeen, veroorzaakt door stress op de werkvloer. Deskundigen zijn niet onder de indruk: Nederland is met zijn richtlijnen al een stuk verder.

Foto iStock / Bewerking NRC

Hoe je een burn-out definieert en vaststelt, is een glibberige kwestie. Iedereen heeft er een idee over, maar de vraag wat het dan precies omvat, levert uiteenlopende antwoorden op en houdt experts wereldwijd al jaren bezig.

Het lijkt dan ook goed nieuws dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) die definitie preciseert. Vanaf 2022 zal het in de jongste editie van haar ziektecatalogus, ICD-11, worden vermeld als werkgerelateerd fenomeen, veroorzaakt door chronische stress op de werkvloer waarmee niet goed is omgegaan. Deze stress leidt tot „gevoelens van vermoeidheid, een negatieve of cynische houding ten opzichte van werk en een afname van productiviteit”.

De ICD is een internationaal classificatiesysteem van ziektes, waarmee zorgaanbieders zoals ziekenhuizen alle ziektebeelden en diagnoses van patiënten kunnen registreren. Op die manier worden statistieken bijgehouden en gezondheidstrends gedocumenteerd. Tot nu toe stond burn-out slechts kort vermeld, als „staat van extreme uitputting”, wat amper een definitie te noemen is. De hoop is dan ook dat deze uitbreiding voor meer duidelijkheid zorgt, zodat iedereen over hetzelfde fenomeen praat en wereldwijde analyses en vergelijkingen mogelijk worden.

Dat de kern van burn-out algehele uitputting is, daar is men het wel over eens. Maar het idee dat burn-out uitsluitend aan werk gerelateerd is, zoals de nieuwe WHO-definitie stelt, leidt tot discussie.

Die definitie ontleent de WHO namelijk aan de Maslach Burn-out Inventory (MBI), een inmiddels bijna veertig jaar oude vragenlijst voor burn-out die in Nederland bekendstaat als de Utrechtse Burn-out Schaal (UBOS). Hoewel de MBI internationaal en, bij gebrek aan een alternatief, nog steeds de meest gebruikte vragenlijst is, is er ook al jaren kritiek. Onder meer omdat de MBI geen vragen bevat over cognitieve klachten. In een opiniestuk in NRC stelden Carolien Hamming, directeur van een centrum voor burn-outcoaching, en Jennifer Hanenberg Elders, psychosociaal therapeut, dat uitputtingsverschijnselen juist door een combinatie van werk- en privéomstandigheden worden veroorzaakt. Aan de andere kant: ongeveer al het onderzoek over burn-out focust zich op problemen op werk.

We weten nog steeds niet precies hoeveel mensen in Nederland een burn-out hebben. Vaak wordt hun naar vermoeidheidsklachten gevraagd, maar dat is iets anders dan een burn-out. Wat we wél weten is dat steeds meer Nederlanders aangeven zich heel moe te voelen door werk. Inmiddels gaat het om één op de zeven werknemers, blijkt uit de jaarlijkse Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden van onderzoeksorganisatie TNO en het Centraal Bureau voor de Statstiek (CBS). Daarnaast vormen werkgerelateerde stressklachten een belangrijke reden om mensen af te keuren , waardoor ze in een arbeidsongeschiktheidsregeling belanden.

Wat is er wetenschappelijk bekend over de oorzaken van burn-out? En vijf andere vragen.

Om grip te krijgen op de burn-out is meer onderzoek nodig, en een duidelijke afbakening van het begrip kan daarbij helpen. Daarbij rijst de vraag: is de nieuwe definitie van de wereldgezondheidsorganisatie bruikbaar?

Altijd bereikbaar na werktijd

Het is in ieder geval een stap vooruit, zegt Carien Karsten, als psychotherapeut gespecialiseerd in burn-outs. Al is het volgens haar een definitie die we in Nederland, „bij gebrek aan beter”, altijd al hanteerden.

Het grote voordeel van de nieuwe WHO-omschrijving is dat burn-out niet meer als individueel probleem wordt gezien. Je kunt nu organisaties aanspreken op hun ongezonde werkklimaat, legt Karsten uit.

Haar patiënten voelen zich vaak niet erkend, omdat de werkgever hun burn-out aan hun privéleven linkt, merkt ze. „Een leidinggevende die bijvoorbeeld zegt: je hebt een burn-out, omdat je moeder is overleden. Waarmee hij tegelijk zegt: het komt dus niet door mijn chaotische manier van leidinggeven of onze werkcultuur.” Als werkgever heb je echter een zorgplicht, en sinds 2005 valt daar ook preventie van psychische schade onder, zoals burn-out.

Karsten vertelt over een boekhouder die steevast elf uur per dag werkte. Door chronische overbelasting raakte hij burn-out en herstelde hier niet van. „De rechter erkende de werkgerelateerde oorzaak, want de werkgever was tekortgeschoten in zijn zorgplicht, en de boekhouder kreeg een paar ton schadevergoeding. Maar denk ook aan mensen in de gezondheidszorg die veel te veel uren moeten draaien door gebrek aan personeel. Die kunnen hun werkgever erop wijzen dat hij veroordeeld kan worden vanwege het tekortschieten van de zorgplicht.”

Uit onderzoek blijkt dat 40 procent van de jongeren onder de 30 altijd bereikbaar blijft na werktijd, zegt ze. „Dáár moeten we ons pas druk om maken.”

Dat is iets wat Karsten dan ook doet in haar gesprekken met werkgevers, waarbij ze zich nu extra gesteund weet door de WHO. „Zolang burn-out een werkfenomeen is, kan ik werkgevers makkelijker vragen om afspraken te maken over het bereikbaar zijn na werk”, vertelt ze. „Want als al jouw collega’s altijd online zijn, zie je dan maar eens aan zo’n werkcultuur te onttrekken.”

Volgens Karsten zijn gesprekken met werkgevers zo belangrijk, omdat uit CBS-cijfers blijkt dat 38 procent van de mensen die op het werk uitvalt psychische klachten heeft. Burn-out maakt daarvan een groot deel uit.

Psychotherapeut Karsten merkt vanuit haar praktijk dat zich de laatste jaren steeds meer mensen met burn-outklachten melden. Daarnaast constateert ze dat het gemiddelde ziekteverzuim langer duurt: toen ze twintig jaar geleden begon, was de gemiddelde duur van een burn-out 120 dagen. Nu is dat al dubbel zoveel: 242 dagen.

Nederland loopt voorop

De ernst van burn-out mag zijn toegenomen, maar dat betekent niet dat elke Nederlandse zorgverlener de aanpassing door de WHO nu even serieus neemt. Wilmar Schaufeli, arbeids- en organisatiepsycholoog aan de universiteiten van Utrecht en Leuven, lijkt zich er in elk geval niet druk over te maken. Je gaat beleid pas veranderen als het een verbetering is van de bestaande praktijk, en dat is het niet, vindt hij. „We hebben in Nederland al een uitgebreide richtlijn voor burn-out die huisartsen, bedrijfsartsen en eerstelijnspsychologen samen hebben opgesteld.” Die is veel uitvoeriger en preciezer dan die in de ICD-11, zegt Schaufeli. „In Nederland lopen we hiermee voorop.” Wat niet wil zeggen dat de WHO-herziening nutteloos is. „Wellicht kan ze tot meer aandacht leiden in landen als Japan, waar burn-out nauwelijks op de agenda staat.”

Al noemt Schaufeli de WHO-definitie „niet helder” en „magertjes”, burn-out betitelen als ‘werkfenomeen’ vindt ook hij terecht. Zijn eigen onderzoek ondersteunt dit. In 2016 interviewde hij 49 Vlaamse en Nederlandse psychologen, bedrijfs- en huisartsen. De praktijkexperts waren het unaniem eens over de werkgerelateerde aard van burn-out.

„Burn-out doet zich in de meeste gevallen voor omdat mensen uitvallen op hun werk”, legt Schaufeli uit. „De oorzaak van die uitval kan weliswaar samenhangen met dingen die je naast je werk doet, maar voor de meeste mensen is werk echt de hoofdreden van hun burn-out.”

Uit een ander onderzoek, waarin Schaufeli burn-out-klachten uit 34 Europese landen vergeleek, blijkt Nederland verrassend genoeg een van de landen waar dit het minst voorkomt. Van de Nederlandse werknemers zegt 6,4 procent altijd uitgeput te zijn na werk, in Turkije, het hoogst scorende land, is dat 25 procent. Toch is dit niet een heel representatief onderzoek, zegt hij. „Er is alleen gevraagd hoe uitgeput iemand was aan het einde van een werkdag. En dat zijn we allemaal weleens.”

Het zou hem wél verbazen als burn-out in Nederland bovengemiddeld vaak voor zou komen. „In alle lijstjes over geluk en bevlogenheid staan wij bovenaan, en die twee zaken zijn negatief aan uitputting gerelateerd. Als je gelukkig én bevlogen bent, raak je niet snel in een burn-out.”

Meer dan betaalde arbeid

Overigens gaat het bij ‘werk’ niet alleen om betaalde arbeid. Ook in de privé-sfeer kan werk voorkomen. Eén belangrijke kanttekening die de praktijkexperts uit Schaufeli’s onderzoek namelijk maken is dat burn-out als werkfenomeen over méér gaat dan alleen betaalde werkzaamheden. Vanuit psychologisch perspectief is werk namelijk „iedere gestructureerde en doelgerichte activiteit”, dus dat kan óók een studie, vrijwilligerswerk of de zorg voor kinderen zijn. Maar vermoedelijk doelt de WHO daar niet op. Schaufeli: „Ze laten onvermeld wat werkgerelateerd dan wél precies betekent.”

In die zin kan het werkgerelateerde aspect van burn-out wellicht breder worden opgevat, aldus psychotherapeut Karsten. Al moet het ook weer niet een paraplu worden om alles onder te vangen, van liefdesverdriet tot jeugdtrauma’s. Het is daarom zaak goed uit te zoeken wat er in iemands leven allemaal speelt: is het echt burn-out, of gaat het om trauma, depressie of angst?

Dat blijft soms puzzelen. Hoe burn-out zich bij haar patiënten uit, zegt ze, kan namelijk buiten de karakteristieken van Maslach en de WHO vallen. „Soms vind je er een terug, soms allemaal, en daarnaast heeft de ene persoon slaapproblemen en de ander piekert veel of heeft lichamelijke klachten.” Wat Karsten ermee wil zeggen: burn-out uit zich bij ieder mens anders, en zo zullen er altijd klachten blijven die je niet in zo’n definitie vangt.

Karsten hoopt bovenal dat de herziening ertoe leidt dat onder anderen huisartsen burn-out vaker registreren. Want er is nog van alles over te achterhalen: waarom het in de landbouw nauwelijks voor lijkt te komen, en in onderwijs en zorg juist zoveel; wat de verschillen tussen mannen en vrouwen zijn; en of het onder jongeren in andere landen ook relatief veel voorkomt – zoals in Nederland.

Karsten: „Nu we wereldwijd allemaal dezelfde definitie hanteren, kunnen we hopelijk analyses en vergelijkingen maken en op basis daarvan nog betere maatregelen nemen.”

Structureel ‘op’ zijn hoort helemaal niet bij het leven, zegt bedrijfsarts Willem van Rhenen. ‘We werken niet te veel, we laden te weinig op’

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.