Opinie

Hou je Steinbeck

Tommy Wieringa

Toen mijn dochters leerden lezen, openden zich nieuwe werelden. ‘Klaas Puul garnalen’, klonk het opeens op de achterbank bij het passeren van een vrachtwagen. Wie vrachtwagenopschriften kan lezen, kan ook poëzie lezen. Samen leerden we een paar gedichten uit het hoofd, indachtig mijn leraar Nederlands die het nuttig vond om gedichten uit je hoofd te kennen, zodat je altijd en overal een paar regels tevoorschijn kon toveren die je behulpzaam waren in het leven. Het eerste was een niemendalletje dat ik schreef als tiener.

Over de zeeën

Gaan de pygmeeën

Langzaam roeiend

Nooit meer groeiend.

Het tweede was al enerverender, ‘Verdrinkingsdood’ uit Het barre land van T.S. Eliot. Een schitterend gedicht over een verdronken zeeman, Phlebas de Feniciër. De laatste regels in de vertaling van Paul Claes luiden:

‘Een stroming onderzee / Kloof fluisterend zijn botten af. Hij rees en daalde, / Doorkruiste de jaren van zijn ouderdom en jeugd / En ging de wieling in. / Heiden of Jood / U die aan het stuurrad draait en tegen de wind in tuurt, / gedenk Phlebas, ooit even mooi als u en even groot.’

Mijn echtgenote, die hier niet van wist, was perplex toen ze haar vijfjarige dochter op een ochtend onderweg naar school hoorde verzuchten: ‘Ouderdom en jeugd…’

Met de poëzie werd meteen de hele boekenkast ontsloten. Bij het avondmaal zitten ze met hun gezicht naar de boekenkast en ontcijferen de ruggen. Nieuwe scheldwoorden deden hun intrede. ‘Jij… jij… Cees Nooteboom!’ was een hele erge. Hugo Claus was een goede tweede. Het duurde even voordat ik in het vloekwoord ‘Bananetepper’ de schrijver Nanne Tepper herkende, wiens grote gele brievenboek op ooghoogte in de kast staat. Een prima vondst was ook ‘Hou je Steinbeck’.

Toen ik pasgeleden thuis kwam, kwam mijn dochter van negen voor me staan en zei: ‘Dat in gemelijke grillen ik mijn dagen kon verspillen, dat ik haar voorbijgegaan of een steen daar had gestaan, dat ik heel mijn zondig leven heb gekregen zonder geven, dat mij alles heeft gesmaakt, dat ik niet heb uitgebraakt’ – enzovoort, waarbij ik me pas na de eerste strofe realiseerde dat ik naar Elsschot luisterde, het gedicht ‘Spijt’ dat ze van begin tot eind opzegde. Ze had het in de kast gevonden en ’s middags uit haar hoofd geleerd. Van veel woorden kende ze de betekenis niet maar het was leuk om ze uit te spreken, als een liedje in een vreemde taal.

Goed, dat is allemaal het terrein van de lach en de ontroering, even particulier als universeel. Daaruit volgt de weemoed. Een gevaarlijke gemoedsaandoening, die je in een droevig dier verandert. Met twee dochters schiepen mijn geliefde en ik twee handenvol tijd, die ons onherroepelijk door de vingers glipt. Eergisteren werd de eerste geboren, nu is ze alweer bijna tien. Ik probeer de tijd te vangen in hardgekafte notitieboeken, voor elke dochter één, waarin ik de meest memorabele dingen opschrijf die ik met ze meemaak, maar wanneer ik erdoorheen blader is het of ik door het schimmenrijk van een Alzheimerpatiënt dwaal. Het meeste ben ik al lang weer vergeten. Overgroeid door nieuwe dagen, nieuwe dingen. Hoe hardnekkiger ik probeer het verleden te bewaren, hoe sterker de vergetelheid zich roert. Tegen het onherroepelijke kruien van de verloren tijd stel ik uit arren moede een andere tijd, de tijd die ik doelbewust met ze doorbreng en waarin ik mijn ongeduld probeer te bedwingen bij de soms langdradige verhalen en een honderdmaal mislukte handstand. Aandachtige toewijding aan het heden, als het bestuderen van verglijdende schaduwen in de tuin, totdat het voorbij is.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.