Opinie

Straf

Marcel van Roosmalen

Al bijna twee jaar maak ik gebruik van de sprinter op het traject Uitgeest-Amsterdam CS. Mijn startpunt is station Wormerveer, een eiland van beton en ijzer in het groen waar de elementen vrij spel hebben. De informatievoorziening is er beneden alle menselijke waardigheid. Treinen komen wel, of ze komen niet en dat laatste wordt dan pas later soms omgeroepen. Er is mij verteld dat treinen bewust in Uitgeest worden achtergehouden waardoor er officieel op dit traject geen vertraging bestaat.

Ik heb veel aan te merken op de inwoners van het gebied, maar dit kruis dragen ze met verve. Op de perrons zie je ze op de afgesproken tijd hun nek uitsteken en teleurgesteld weer intrekken als het weer niet zo heeft mogen zijn. Ik ben nog maar een beginner hier en had weleens de neiging om ze bij de schouders te pakken om ze door elkaar te schudden als ik ze gelaten weg zag sjokken, of als ze neerzonken op een van de twee metalen bankjes om op een volgende sprinter te wachten waarvan ook totaal onduidelijk was of hij wel of niet zou komen.

Was ik in een testgebied terechtgekomen om te kijken hoever je als bedrijf kan gaan met klanten? Wat communiceert NS eigenlijk naar deze murw gebeukte mensen? Dat ze elders toch niet gemist worden omdat ze economisch van nul waarde zijn?

Wat voor mens word je als je jaar in jaar uit zo behandeld wordt? Ik dacht het antwoord te kunnen zien aan mijn vaste medepassagiers. Omdat ik meestal eersteklas reis zijn dat er niet veel. Ik ken ze inmiddels alle drie van buiten. Net als de conducteurs trouwens, de meesten controleren mij niet eens meer en groeten vriendelijk als ze uitgeblust op een bankje ploffen. Het zijn ook slachtoffers, weet ik inmiddels. Eentje zei me een keer: „Wij kunnen eigenlijk nergens wat aan doen.”

Wie knapt er als eerste, dacht ik weleens. Dinsdag maande de man die altijd woedend op zijn laptop zit te slaan, de werkdruk spat van zijn hoofd, vanuit het niets een conducteur tot actie. Hij wees naar wat toeristen en vroeg zich af of die niet in de tweede klasse thuishoorden. De conducteur sprak ze aan, waarna ze opstonden.

„Die ook nog”, wees de man naar drie pubers in trainingspakken.

Rupsje-nooit-genoeg wilde nog een extra hapje.

Het moment van glorie op het gezicht van die jongens toen de conducteur hardop moest constateren dat ze terecht in de eerste klasse zaten was mooi. En dan tegelijkertijd die onverwachte nederlaag. De zoveelste mokerslag. De man klapte zijn laptop dicht en ging vanaf station Sloterdijk bij de deuren in het tussenstuk staan.

Ik denk om zichzelf te straffen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.