Meer niet-werkende jonge mannen

Cijfers Een steeds groter deel van de 25- tot 45-jarige mannen wil of kan niet werken. „Op een complexe arbeidsmarkt is een ‘vlekje’ een probleem.”

Dat met name laagopgeleide en alleenstaande jonge mannen afhaken wijst op teruglopende kansen op de arbeidsmarkt en een moeite om mee te komen. Dat is een internationaal te herkennen patroon.
Dat met name laagopgeleide en alleenstaande jonge mannen afhaken wijst op teruglopende kansen op de arbeidsmarkt en een moeite om mee te komen. Dat is een internationaal te herkennen patroon. Foto Getty Images

De werkloosheid bereikte onlangs een laagterecord, er werken méér vrouwen dan ooit en het aantal openstaande vacatures was nooit zo hoog. Toch is er één groep die daar, de economische voorspoed ten spijt, niet van lijkt te profiteren: een steeds groter deel van de 25- tot 45-jarige mannen is niet actief op de arbeidsmarkt, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zaterdag.

Dat zijn voor het grootste deel alleenstaande mannen, die daarom niet kunnen terugvallen op een werkende partner. Ook zijn ze veelal laagopgeleid. Belangrijk is bovendien dat het bij deze groep niet om werklozen gaat, maar om mannen die geen betaald werk hebben en hier ook niet naar op zoek zijn. Deze mannen behoren niet tot de beroepsbevolking. Hun niet-werken heeft ook niets met emancipatie of de zorg voor kinderen te maken – mannen geven ‘zorg voor het gezin of huishouden’ zelden op als reden om niet te werken. Terwijl dat voor vrouwen meestal wél de reden is niet te willen of kunnen werken.

In het eerste kwartaal van 2009 ging het om 4,6 procent van de 25- tot 45-jarige mannen die niet actief was op de arbeidsmarkt. Begin dit jaar was dat 8 procent, in een periode waarin de arbeidsmarkt aantrok. Ter illustratie: dat is een stijging van 104.000 mannen in 2009, naar 168.000 in 2019. Bij vrouwen in deze leeftijdsgroep bleef het percentage dat niet deelneemt aan de arbeidsmarkt over dezelfde periode ongeveer gelijk, berekende het CBS op basis van een analyse van cijfers uit de Enquête beroepsbevolking.

Deze ontwikkeling zet zich al sinds de jaren zeventig voort, en trekt zich weinig aan van economische voor- of tegenspoed. In 1970 lag het percentage niet-actieve jonge mannen (tussen 25 en 45 jaar oud) nog tussen de 1 en 3 procent. Vanaf de jaren tachtig liep dat aandeel op, terwijl het aandeel jonge vrouwen juist zonder werk voortdurend kleiner werd: van meer dan 60 procent in 1970 tot minder dan 20 procent nu, aldus het CBS.

Achterstand

Eind vorig jaar onderzocht het Centraal Planbureau (CPB) waarom de arbeidsparticipatie van jonge mannen blijft dalen. De jongste groepen zitten langer op school, schreef het CPB, maar dat met name laagopgeleide en alleenstaande jonge mannen afhaken wijst op teruglopende kansen op de arbeidsmarkt en een (te) grote moeite om mee te komen. En dát is een internationaal te herkennen patroon.

Het gaat veel slechter met de man dan met de vrouw, blijkt uit tal van statistieken. Lees ook daarover: Het temmen van de man

„Waar de structurele stijging vandaan komt is lastig te zeggen”, zegt Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom van het CBS. „Maar opvallend is wel dat dit van oudsher de groep mannen is waarbij de arbeidsdeelname juist hoog is.” Dat duidt volgens Van Mulligen op een veranderende wereld – technologische vooruitgang, automatisering en robotisering vergen een hoger niveau vaardigheden.

„De arbeidsmarkt wordt complexer, zonder papiertje kom je steeds moeilijker aan het werk.” Een laagopgeleide groep jonge mannen valt daardoor sneller buiten de boot. Bovendien had een groep mannen die nu arbeidsongeschikt verklaard wordt, voorheen misschien gemakkelijker een „simpel” baantje kunnen vinden. Van Mulligen: „Op een complexe arbeidsmarkt is een ‘vlekje’ een groter probleem. De verwachting is bijvoorbeeld dat hier een hoop mannen met een Wajong-uitkering tussen zitten.”

Dat is terug te zien in de CBS-cijfers: de meest genoemde reden om niet te willen of kunnen werken is ziekte of arbeidsongeschiktheid. Zorgelijk is volgens Van Mulligen dat de kans dat deze groep ooit nog terugkomt op de arbeidsmarkt, klein is. „Wie op jonge leeftijd buiten de beroepsbevolking valt, begint met een achterstand en weinig zelfvertrouwen.”