In de loop der jaren is El Diablo bij de renners geliefd geworden, een levende mascotte.

Foto Gordon Welters

In de Tour leeft hij op, en in de Tour zal hij sterven: ‘El Diablo’

Tour de France Iedereen die ooit een bergetappe zag, heeft hem door het beeld zien rennen, in zijn kostuum en met zijn drietand – Dieter ‘El Diablo’ Senft (67), de duivel van de Tour. Maar bijna niemand kent zijn verhaal. NRC zocht hem op in Storkow, Oost-Duitsland.

De duivel is er in vol ornaat voor gaan zitten, aan de kopse kant van zijn tuintafel, met zicht op een halflege loods waar ‘Rad Kuriositäten’ op staat geschilderd, voorheen een museum vol met malle rijwielen, maar daarvoor is geen tijd meer, noch belangstelling. Hij draagt zijn rode broek en dito slippers, heeft een roodzwarte cape om zijn schouders die is vervaardigd uit regenjasstof en gekocht in de plaatselijke feestwinkel.

Zelfs bij vijfendertig graden draagt hij een doppig hoofddeksel, dat met twee zwarte hoorntjes erbovenop zijn kale schedel bedekt. Er steken alleen wat witte vlashaartjes onder vandaan. De grijstinten in zijn baard zijn door de jaren verdreven. Op zijn schoot rust een gele drietand met ‘Le Tour de France’ erop, zelf gemaakt, een onmisbaar attribuut van staal. Voor hem liggen fotoboeken waar zijn levenswerk in is vastgelegd, net als zijn momenten van grote glorie.

Als hij zijn gast ziet roept hij het uit, net of zijn favoriete wielrenner door een haarspeldbocht van een Alpencol tevoorschijn komt: „Jahaaaa”, echoot het over zijn gazon aan de rand van Storkow, een uur rijden ten oosten van Berlijn.

Voor de gelegenheid heeft hij alle registers opengetrokken: op zijn neus staat een bolletjeszonnebril en in zijn armen klemt hij een oranje leeuwenknuffel – „zeer exclusieve” snuisterijen uit de Tour de France, voorbestemd voor etappewinnaars en andere wielergrootheden – in dat laatste rijtje hoort hij thuis, Dieter ‘El Diablo’ Senft, de duivel uit de Tour.

In alle huiskamers is hij heus eens opgevallen, als in de lege zomermaanden wielrennen opstond, en hij met de knieën hoog geheven als een kikker door het beeld kwam gesprongen, vooral rond de toppen van de Alpen of de Pyreneeën. De camera’s zoomen altijd even op hem in als hij een stuk met de koplopers meerent, gelukzalig glimlachend en uitzinnig roepend, de drietand als een speer boven het hoofd geheven. Hij kan het maken, loopt zelden in de weg, maakt iedereen met zijn gekkigheid aan het lachen.

In de loop der jaren is El Diablo bij de renners geliefd geworden, een levende mascotte. Als ze adem over hebben sturen ze soms het peloton uit om hem een high five te geven, of rijden ze een stukkie op met de drietand in hun hand. Ze willen met hém op de foto in plaats van andersom. Vorig jaar nog bij een rondje om de kerk, kwam Chris Froome om een selfie vragen. Senft is zo populair geworden dat hij op een Alpenreus bodyguards nodig heeft om niet onder fans bedolven te raken.

Foto Gordon Welters
Foto Gordon Welters
Foto Gordon Welters
Foto’s Gordon Welters

Krakerig beeld uit Frankrijk

Toen hij 41 was kwam het ervan, afreizen naar Frankrijk. Senft groeide op aan de oostkant van de Berlijnse Muur, in Reichenwalde en later verhuisde hij naar Storkow, waar westerse televisiebeelden niet toegestaan waren, laat staan vrijuit reizen. Hij moest het doen met beelden van de Vredeskoers, het DDR-equivalent van de Tour, met etappes tussen Berlijn, Praag en Warschau. Maar nu en dan sijpelde er toch wat krakerig beeld uit Frankrijk binnen, vanuit West-Berlijn was het signaal op goede dagen sterk genoeg. Hij moet 14 zijn geweest toen hij het Franse berglandschap voor het eerst zag, illegaal natuurlijk. Hij krijgt er nog kippenvel van als hij denkt aan hoe spannend het was. Hoe graag hij wel niet deel uit wilde maken van dat Franse circus.

Senft werkte die jaren als carrosseriebouwer in een Oost-Duitse autofabriek. Met staal – aluminium was niet voorhanden. In 1976 begon hij in zijn vrije tijd met het bouwen van curieuze fietsen, gewoon voor de lol. Een „tridem” voor drie van zijn vrienden. Een jaar later pasten vier man op één fiets. Het werd steeds gekker.

Voor Boris Becker maakte hij een tennisfiets, er kwam een schaakfiets, en eentje in de naam van een bokser. Als hij aan een ontwerp bezig was, ontstond het volgende idee alweer. Hij staat met de grootste fiets in het Guinness Book of Records, en maakte ook de kleinste, de langste, de grootste step, de grootste rijdbare koffiemolen, en ga zo nog even door. In zijn tuin staat er ook een met tienduizend fietsbellen, op de kop getikt bij een stomverbaasde groothandelaar in de haven van Rotterdam. De grootste fiets bouwde hij twee keer. Hij moest wel, toen bleek dat er in de Verenigde Staten iemand een exemplaar van een metertje hoger had gebouwd.

Senft werd lokaal beroemd en in 1988 besloot hij zijn baan op te zeggen om voortaan als artiest met zijn curiositeiten door Oost-Duitsland te reizen. Een vergunning daarvoor kreeg hij niet zomaar: toen hij ontslag nam kwam de Stasi op bezoek. Stoppen met werken in ruil voor het vrije beroep was iets vreemds in de DDR. Op het vergeelde document dat hij er thuis in Storkow bij heeft gepakt, staat dat hij maximaal 200 mark per show mocht verdienen, niet meer dan dat. „Maar soms had ik er wel vijf per dag. Ik verdiende meer dan ik als carrosseriebouwer ooit had kunnen doen.”

Met de val van de Muur ging er, net als voor zoveel Oost-Duitsers, een wereld voor hem open. Senft spaarde, en kon in 1993 dan eindelijk naar de Tour, samen met vrouwlief Margitta in een bestelbusje, een van zijn gekke fietsen op de aanhanger, en zonder enige vorm van luxe. Het stel vond met LuK, een Oost-Duits bedrijf in autokoppelingen, een sponsor om de benzine te kunnen betalen. Ze sliepen achterin, aten nimmer warm. Maar de lol was er niet minder om. Ze waren vrij.

Duivelslap

Senft had het idee opgevat om verkleed als duivel met de renners mee te hollen, naar de Duitse vertaling van de Flamme Rouge, de vlag voor de laatste kilometer in een wielerkoers: Teufelslappen – duivelslap. Zijn outfit was in die jaren nog een samenraapsel: als broek stikte hij rode lappen aan elkaar, hij droeg een zwart shirt met lange mouwen en een simpel petje met hoorns. Voor de drietand laste hij stukken kleurloos staal aan elkaar.

Op 19 juli van dat jaar veranderde zijn leven voorgoed. In de vijftiende Touretappe stond Senft blijmoedig te wachten op de flanken van de Col d’Ordino, uiteraard in zijn duivelskostuum, toen de Colombiaan Oliviero Rincón Quintana in zijn eentje meer dan tien minuten voorsprong had genomen op het peloton en bezig was de Tour volledig op zijn kop te zetten. Toen Senft de renner in roze en blauw in het zicht kreeg, zette hij het op een lopen en keek hij met die kenmerkende grijns van hem recht in de camera van Eurosport. De duivel en de held van de dag gevangen in een iconisch beeld, dat de wereld overging. De geboorte van El Diablo was een feit. De sponsors had hij voor het uitkiezen. Hij was de mascotte van de Tour geworden.

Onder Tourdirecteur Jean-Marie Leblanc had Senft het goed. Tot 2006 kon hij bijna elk jaar rekenen op ereplaatsen bij start of finish, kreeg hij toegang tot vip-tenten en was hij welkom op feestjes. Maar sinds Christian Prudhomme de baas is, kan hij een accreditatie vergeten. De nieuwe directeur heeft het niet zo op hem. Waarom precies weet Senft ook niet. Hij heeft het idee dat hij niet groter mag worden dan de race zelf. Maar de Tour is verdorie wel zijn visitekaartje, het podium om zich aan de wereld te tonen. Miljoenen kijken mee als hij zich in de zomerhitte naast een renner zet en met een bezeten gelaatsuitdrukking begint mee te sprinten. De Tour is zijn bestaansrecht.

Waar El Diablo in Frankrijk niet kan rekenen op steun, zet Tourorganisator ASO hem sinds drie jaar wel in als mascotte bij de kleinere wedstrijden, de criteriums aan het einde van het jaar in Shanghai, en Saitama, bij Tokio. Dan krijgt hij een ruime kamer in het Kempinski Hotel plus een onkostenvergoeding. Hij is ook welkom bij afterparty’s waar alleen de elite van de ASO mag komen. Zeker in Japan zijn de mensen gek op hem, kinderen klampen zich aan hem vast en er wordt merchandising van hem gemaakt. Het Duivelspoppetje van Saitama was binnen no-time uitverkocht, hij heeft er zelf ternauwernood een te pakken gekregen.

Flesjes duivelslikeur

Senft zag er nooit een cent van terug. Hij weet niet hoe hij zichzelf moet vermarkten, zegt hij. Als hij geld gaat vragen voor foto’s of handtekeningen is hij bang dat zijn fans hem de rug toekeren. Vorig jaar liet hij een paar duizend flesjes duivelslikeur maken, met een kolderieke foto van hemzelf op de zijkant. De bedoeling was de drank te verkopen in de Tour, maar niemand wilde ervoor betalen. In de publiciteitskaravaan van de Tour wordt voor prullaria immers ook nooit geld gevraagd. De mensen staan juist daarom uren langs de kant. Senft is zijn rode Tourteufel Likör dus maar gratis gaan uitdelen.

In 2014 moest Senft met loeiende sirenes naar het ziekenhuis. Tijdens de Ronde van Zwitserland werd hij onwel, kon hij niet meer lopen. Er werd een bloedprop in zijn hersenen geconstateerd.

Misschien was het de constante stress geweest die hem naar de kop schoot, want op de dag dat hij zestig werd, kreeg hij van al zijn sponsors te horen dat zijn contracten niet werden verlengd. „Zal wel met de leeftijd te maken hebben”, pruilt de Duivel. Een andere verklaring heeft hij er ook niet voor. Maar van de ene op de andere dag zat hij wel zonder geld. ‘El Diablo met pensioen’, kopten de internationale media in 2015. „Fake news”, zegt Senft. Alsof hij nog kan stoppen met de Tour de France. De wedstrijd zit hem onder de huid, als een drug. Er is geen weg meer terug.

Het geld is op

Zijn museum met 120 Fahrradkuriositäten naast zijn huis, in een loods van een paar duizend vierkante meter, is akelig leeg. Het is niet meer open voor publiek. Een klein gedeelte aan de zijkant ligt vol met meuk uit de Tour: petjes, bidons, vlaggen, veelal verwerkt in wat voor een fiets moet doorgaan. Het zijn de laatste overblijfselen van zijn periode als kunstenaar.

Onlangs reden drie trucks vol met zijn creaties naar een fietsmuseum in Zwitserland. Allemaal uitleen. Niemand koopt ze, het bleef bij „twee aanvragen”. Hij zegt dat hij geen tijd meer heeft om het te onderhouden. Van februari tot oktober is El Diablo onderweg – hij reist daadwerkelijk in zijn duivelskostuum, compleet met drietand, inmiddels van plastic zodat hij door de douanepoortjes komt. Zijn schema naar de Tour de France voerde hem via Oostenrijk, Duitsland en Groot-Brittannië. Wat hierna volgt, is nog ongewis. Medellín zal er wel weer tussen zitten. In Colombia is hij beroemder dan in Duitsland. Zo door het leven gaan is als een hobby die zichzelf onderhoudt, zegt hij. Maar geld overhouden doet hij niet.

Onlangs verkocht hij de bliksemse boel: de loods, zijn tuin, en zijn huis. Samen met zijn vrouw wil hij kleiner gaan wonen, verderop in Storkow. In werkelijkheid kan hij het allemaal niet meer betalen, ook te zien aan de manier waarop hij door de Tour reist. Met trots presenteert hij zijn duivelsmobiel, een stokoud Volkswagenbusje met 450.000 kilometer op de teller, zonder airco. In het laadgedeelte heeft hij een bed getimmerd. De slaapzak met duivelspoppetjes ligt al klaar, net als een groen teiltje om zich mee te wassen. In de hele Tour draait hij op vijf witte broden en ingeblikte vis. Hij heeft vaak geen tijd om fatsoenlijk te eten.

Als het moet, zal hij in het harnas sterven. Want zodra hij zich in dat duivelspak heeft gehesen, is hij niet langer zijn verlegen zelf, angstig om ruimte in te nemen. Nee, als El Diablo voelt hij zich „vogelvrij”. Op verzoek verkleedt hij zich nog wel even. Dan komt er een man in een kort streepjesoverhemd naar buiten gewandeld. De blik terneergeslagen, de schouders hangen. Hij lijkt wel jaren ouder, heeft minder energie. Geen mens die in hem nu nog een duivel ziet.