‘Ergens helemaal thuishoren bestaat niet meer’

De Duitse schrijfster Dörte Hansen heeft groot succes met romans over het verdwenen plattelandsleven. Zelf trok ze van boerendorp naar de stad en weer terug. „Ik kom nergens echt aan. Dat is het lot van deze generatie.”

Beeld Dagmar Haggenburg

Ineens was ze een fenomeen. Eerst was ze gewoon Dörte Hansen (1964) radiojournalist, tijdschriftredacteur, reportageschrijfster. Toen was ze iemand die haar vaste baan had opgezegd omdat ze een boek wilde schrijven. Een roman. Ze durfde dat, vertelt ze, omdat ze eigenlijk altijd losse contracten had gehad. Ze was wel gewend aan onzekerheid.

Had ze ook nodig, want waar het verhaal over een ongemakkelijk levende jonge vrouw in Hamburg heen moest, wist ze aanvankelijk niet. Tot ze het wel wist en er voorjaar 2015 een roman lag: Altes Land. ‘Das alte Land’ is een streek bij Hamburg, de fruitstreek. Daar komt de jonge vrouw met haar Hamburgse schoenen en haar kinderbuggy en haar kleutermuziekonderwijs terecht bij een ver familielid, een veel oudere vrouw. (denk: honden, zelf jagen, teruggetrokken leven).

En sindsdien komen in die streek talloze toeristen, het boek in de hand. Er wordt gefilmd door de ZDF. Het boek van Dörte Hansen sloeg in als een bom: das Dörte-Hansen-Wunder. Maandenlang op de Duitse bestsellerlijsten. Meer dan een half miljoen exemplaren verkocht. In verscheidene talen vertaald, waaronder het Nederlands (Oud land). ‘Sensationserfolg.’

Dörte Hansen grijnst als ze erover praat. Ze heeft een leuke lach en een open gezicht. „De kritiek had er wat moeite mee. Recensenten fronsen de wenkbrauwen als een boek van een onbekende schrijver bovenaan de bestsellerlijst komt te staan. ‘Dan zal het wel geen literatuur zijn.’ Dat zou ik zelf ook denken.”

Eind vorig jaar verscheen haar tweede: Mittagsstunde, ook al vertaald in het Nederlands, als Middaguur. Alweer een succes – ook bij de kritiek. „Een Europees narratief, prachtig beschreven”, schreef Der Spiegel, en de Frankfurter Allgemeine meende: „Zo indringend worden boeken zelden”.

Waar heeft Dörte Hansen het over, dat ze lezers zo treft? Over het verleden, zeker, over het platteland, ja, maar zonder heimwee of verheerlijking. Het gaat over hoe we nu leven. In Altes Land steekt ze de draak met de stadsbewoners die een oude boerderij voor veel geld opknappen en daar een soort ‘boerentoneel’ opvoeren met hun dure rubberlaarzen van Manufactum, hun verheerlijking van oude appelrassen, hun jam-makerij, hun jeeps. Ze lopen over het platteland met een air alsof ze ingewijden zijn. „En dan gaan ze er ook nog boeken over schrijven, over wat een grappige en naïeve types ze daar tegenkomen. En erger nog, ze gaan de boeren vertellen hoe het moet: geen bestrijdingsmiddelen maar alles biologisch.”

Daar zit toch ook wel wat in?

„Natuurlijk. Maar het is nogal aanmatigend om iemand die je drie weken kent, te vertellen hoe die z’n werk moet doen.”

Die spotlust, soms tegen het karikaturale aan, heeft ze in haar tweede boek niet, daarin is ze beschouwelijker, met behoud van gevoel voor humor. Middaguur gaat over een dorp en zijn bewoners in de tijd, vanaf de jaren zestig tot het heden: „De niet-geasfalteerde hobbelige wegen, de olifantenpaadjes en de dorpsstraatweg met de kastanjebomen, de stuw- en de houtwallen met hun hoge struikgewas die elk vrij uitzicht en elke vrije doorgang belemmerden. De belachelijke kleine akkers waarop een moderne combine nauwelijks kon keren. De armoedige hoeves die elkaar in de dorpskern verdrongen als eendagskuikens. Alles wat krap, scheef en bekrompen was, alles wat onoverzichtelijk en dichtgegroeid was, wat omslachtig was, moest weg. Je kon deze dorpen niet zo laten als ze waren”, menen de landopmeters die de ruilverkaveling gaan voorbereiden.

En dat is ook waar, zegt Hansen. Het dorpsleven kon zo niet blijven.

Maar wat is dan het probleem?

„De veranderingen gingen te snel. De mensen konden ze niet bijbenen. En ze waren te radicaal. Nu zie je weer bewegingen om bomen te planten, het dorpsleven te herstellen, beken weer kronkelig te maken.”

In Middaguur keert hoofdpersoon Ingwer Feddersen terug naar het dorp Brinkebüll om zijn hoogbejaarde grootouders te helpen. Ingwer is archeoloog, gepromoveerd, werkt aan de universiteit in Kiel. Hij is opgegroeid in de dorpskroeg van zijn opa en oma, en was voorbestemd die over te nemen. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft schuldgevoel. Hij houdt van Brinkebüll maar hij idealiseert het leven daar niet.

Hij lijkt het dorp nooit écht achter zich gelaten te hebben.

„Hij komt niet echt uit het dorp weg en niet echt in de stad aan. Hij blijft er ergens tussenin hangen. Ik kan dat heel goed begrijpen. Ik wilde geen autobiografische roman schrijven, maar ik ken dat gevoel goed. Ik merk ook dat ik niet de enige ben, ik krijg veel brieven van lezers die ook zo’n verleden hebben, die een verlies ervaren en in de stad nog steeds het verlangen naar het dorp hebben.”

En hoe moet je daarmee leven?

„Je moet jezelf vergeven voor de trouweloosheid, en níet willen kiezen. Zeg gewoon: ik kan niet echt aankomen in de stad.”

Hansen, die net als Ingwer uit een Noord-Fries dorp komt, dichtbij de grens met Denemarken, ging er net als hij weg om in Kiel te gaan studeren, en woont nu zelf, na allerlei omzwervingen, weer in haar geboortestreek.

Bent u dan nu weer thuis gekomen?

„Nee, misschien moet je toegeven: ik kom nergens echt aan. Dat is het lot van deze generatie. De dorpen zijn zelf ook enorm veranderd, de wereld is ook in het dorp aangekomen. Er is veel meer vrijheid, maar voor elke vrijheid betaal je een prijs.”

En die prijs is?

„Een dorp was een gemeenschap met een gezamenlijk doel. Er waren de boeren, de landarbeiders, de vakwerklieden, de winkels, de kroegbaas – iedereen had een functie en bestemming. Nu zijn er nog maar een paar boerderijen, het dorp biedt geen werk meer, niemand kan meer zeggen: ik woon hier en ik hoor hier en hier is mijn hele leven.”

De mensen in uw boeken lijden aan het gevoel niet te weten waar ze thuishoren.

„Helemaal ergens thuishoren waar je nooit meer weggaat, zo’n biografie bestaat bijna niet meer. Die wens ergens thuis te horen zegt vooral iets over het verlangen dat in de mensen leeft, en over het gevoel van verlies. Mensen projecteren dat bijna paradijselijke thuiszijn op het platteland, en dromen erover met hulp van tijdschriften vol mooie plaatjes die niets te maken hebben met hoe het echt is. Zelfs de mensen op het platteland lezen tijdschriften die ‘Landleven’ heten en die romantisch doen over leven op het platteland.”

U bent zelf toch ook teruggegaan.

„Ja maar zonder het gevoel daar nu helemaal te horen, al voel ik me er wel thuis. Mijn man en ik spreken het platduits dat er gesproken wordt, ik kom er vandaan, maar we leven niet het leven van boeren. We leiden een urbaan leven op het land. Ik geloof dat we afscheid moeten nemen van het idee ergens helemaal thuis te horen.”

Lees ook: Het dagelijks leven als afleidingsmanoeuvre

De gegevenheid van het dorp waar sommigen nu zo naar terugverlangen, vóór de welvaart van de jaren zeventig, was bepaald niet alleen prettig. Er was veel armoede, het leven was op een bepaalde manier benauwend. En iedereen wist alles van elkaar – hoe dat kan, dat weet eigenlijk niemand. In Middaguur is er een vertelstem die alles weet maar die niet bij een bepaald personage hoort. Dat is misschien de gemeenschappelijke stem van het dorp, zegt Hansen. Aan dat alles wilde zij zelf ook ontsnappen, destijds.

Hansen: „Ik was altijd een lezer, dat was mijn redding – nu ja, dat klinkt erg dramatisch. Ik was zo’n meisje met een dikke bril en pukkels, net als bakkersdochter Gönke in mijn boek.”

Gönke van de bakker krijst als ze klein is het hele dorp bij elkaar.

„Ze voelt zich daar van piepklein kind af helemaal niet thuis. Ze blijft onhandelbaar totdat ze kan lezen. Zó erg was ik niet hoor. Ik had wel ook zo’n horror-pony die me altijd in de brandnetels gooide. En net als zij was ik blij naar school en later naar het gymnasium in de stad te kunnen gaan. Al bezorgde me dat ook schuldgevoelens.”

Jegens uw ouders?

„Ja, en jegens het hele milieu waarin ik was opgegroeid en waar ik me nu van afkeerde. Mijn vriendinnen gingen niet naar de school in de stad, waarom moest ik dat dan zo nodig wel?”

Uw hoofdpersoon Ingwer Feddersen lijdt ook onder zijn schuldgevoel.

„Hij komt het goedmaken door een jaar een sabbatical te nemen en voor zijn grootouders te gaan zorgen.”

Voelt hij zich terecht schuldig?

„Zijn grootvader heeft hem alles gegeven. Die heeft hem, het vaderloze kind van zijn dochter, als baby door het dorp gedragen, hem alles geleerd wat je in het dorp moet kunnen: koeien melken, de aardappelrooimachine gebruiken, achter de tap staan, kroegbaas zijn. Hij heeft hem zijn hele leven aangeboden, alles zo geregeld dat hij de zaak later kon overnemen, en dan wil zo’n kind naar het gymnasium.”

Waarom konden u en Ingwer Feddersen niet in het dorp blijven?

„Ja, waarom niet zoals de anderen dat wel konden? Die weten blijkbaar precies waar ze thuishoren en vandaan komen. Ingwer weet ook waar hij vandaan komt, maar hij neemt er afscheid van. Voor hem, en voor mij, is het geen verleden waarin je gewoon verder leeft, maar je raakt het ook niet kwijt. De vraag: wat vormt ons en hoe leef je daarmee, dat is een vraag die me bezighoudt.”

Aan het slot van uw boeken lijkt er een bepaalde bevrijding bereikt te zijn.

„Mijn boeken zijn ‘verzoeningsboeken’, zou je kunnen zeggen. Ze hebben geen ‘happy end’, maar aan het slot hebben de personages meer vrede met hun leven en hun afkomst. Dat schrijven lezers me ook, dat ze door mijn boeken enigszins verzoend zijn met hun verleden.”

Dat komt misschien ook omdat u niet slechts een stukje uit een leven beschrijft, maar complete levens. Zoals het bijna zeventigjarige huwelijk van de grootouders van Ingwer Feddersen. Zij heeft een kind van een ander gekregen, hij zag na de oorlog dat er niet meer op zijn terugkeer gerekend was.

„Je kunt eigenlijk niet zeggen of het een gelukkig of een ongelukkig huwelijk was. Ze hebben heel veel met elkaar meegemaakt, ze zijn elkaar op een bepaalde manier trouw geweest. In zo’n lang huwelijk is er een schat aan gemeenschappelijkheid, maar ook een zwarte kist die men liever dicht laat. Er zijn verschillende aspecten waarmee je te leven hebt.”

Heeft u zich met uw verleden verzoend?

Lees ook: Zelfs op het Friese platteland spelen de kinderen niet buiten

„Als je je een paar jaar bezighoudt met vragen die ook voor jezelf levensvragen zijn, dat schuldgevoel, dat nergens thuishoren, dan word je wel iets duidelijk. Het Noord-Friese landschap waar ik vandaan kom en waar ik nu weer in leef, daar moest ik op een of andere manier mee in het reine komen. Ik schreef in Middaguur hoe Ingwer Feddersen op een novembermiddag van Kiel naar het dorp van zijn grootouders rijdt en hoe hij echt wel ziet hoe lelijk het landschap is.

‘Hij was niet blind, hij zag het allemaal: de (…) hopen kuilgras onder wit plastic, verzwaard met oude banden, verpakte balen hooi op het verweesde land, de grote tanks van de biogasinstallaties, hun groene koepels als het symbool van het maistijdperk. (…) De velden waarop behalve mais alleen nog zonnepanelen of windturbines groeiden. (…) In de verste verte geen schoonheid.’

„Het duurde maanden voor ik de vergelijking vond met een oude knuffel die een oog mist en kaal is geworden, maar die hoe dan ook van jou is. De enige. Sindsdien kan ik denken als ik daar loop of rijd en soms heus wel zie dat het niet objectief mooi is: okay, maar het is van mij.”

Oud Land en Middaguur zijn uitgegeven bij Harper Collins. Vertaling Lucienne Pruijs

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.