Recensie

Recensie

Een conservatief met heimwee

Conservatisme Volgens de Amerikaanse publicist George F. Will moeten de Verenigde Staten terugkeren naar het liberalisme van hun grondleggers, waarvan Democraten maar ook Trump en de zijnen zijn afgedwaald.

Barry Goldwater dingt naar de presidentiële nominatie voor de Republikeinse Partij in 1964.
Barry Goldwater dingt naar de presidentiële nominatie voor de Republikeinse Partij in 1964. Foto Art Rickerby/ Getty Images

Is conservatisme een politieke filosofie, met uitgewerkte theorieën over staat en maatschappij, of is het toch eerder een houding, een kwestie van temperament? Die vraag gaat zeker op voor Nederland, waar het conservatisme theoretisch lange tijd onderontwikkeld is gebleven, totdat het een herwaardering beleefde met de oprichting van de Edmund Burke Stichting in 2000 en het werk van hoogleraren als de gedesillusioneerde liberaal Andreas Kinneging en de Verlichtingsdenker met het vergiet, Paul Cliteur.

In zijn biografie van J.L. Heldring (De eeuw van J.L. Heldring) wijst Hugo Arlman er nog nadrukkelijk op dat het conservatisme van de bewonderde NRC-columnist vooral een levenshouding was, ingegeven door een christelijk geïnspireerd besef van menselijke onvolkomenheid. Heldring was, in de geest van de Britse denker Burke (1729-1797) en diens kanttekeningen bij de Franse Revolutie, wars van grootse dadendrang en geestdrift. Hij bepleitte realisme en prudente vooruitgang. De praktische wijsheid van beproefde tradities gaat boven de Sturm und Drang van filosofen.

Maar ook conservatieven kunnen hunkeren naar een grote omwenteling die de ‘natuurlijke orde’ herstelt (en de massa eronder houdt), zoals Corey Robin betoogt in zijn veelbesproken The Reactionary Mind (2017). Van die reactionaire drift getuigde de Conservatieve Revolutie van Duitse intellectuelen tegen de Republiek van Weimar. In Amerika stond recenter een generatie ‘neoconservatieven’ op (onder wie bekeerde linkse radicalen) die droomde van een militair aangejaagde herschikking van de wereldorde.

Geluk nastreven

In eigen land voorzag mede-oprichter van de Burke Stichting Bart-Jan Spruyt een totale ‘crisis’ van ‘het systeem’. Thierry Baudet, Heldring-adept en auteur van Conservatieve vooruitgang, propageert een radicale culturele omwenteling die het geliefde vaderland moet redden van de ondergang.

De Amerikaanse publicist George F. Will (1941), in de VS landelijk bekend als columnist voor onder meer The Washington Post, al sinds de jaren zeventig, heeft met The Conservative Sensibility nu zijn imposante geloofsbrieven afgeleverd. En al suggereert de titel anders, hij bedoelt het boek als een complete maatschappijvisie, die trouw wil zijn aan de Amerikaanse Founding Fathers maar vooral sterk verwant blijkt aan het kapitalistische libertarisme van Milton Friedman en Friedrich von Hayek.

De kern daarvan is in een paar zinnen samen te vatten: de menselijke natuur staat vast en is geen sociaal construct; individuen – niet groepen - kunnen er rechten aan ontlenen (zoals vastgelegd in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring: het recht op leven, vrijheid, en het nastreven van geluk); de overheid is niet de bron van die natuurlijke rechten maar dient ze te waarborgen; deugdzame burgers worden gevormd in het gezin en op school; het beste samenwerkingsmodel voor mensen is de vrije markt. De ongelijkheid die daaruit voortkomt is voor Will geen probleem, zolang het volk als geheel er maar op vooruitgaat.

Dat fundament werkt Will uit in heldere, soms lang uitgesponnen verhandelingen over staat en samenleving, economie, religie, onderwijs en buitenlandse politiek. Allemaal lezenswaardig, zij het dat Will op het dogmatische af onschokbaar overtuigd is van het eigen gelijk; het gaat tenslotte om ‘tijdloze waarheden’. Voor een echte politieke filosofie is zijn boek dus opvallend onfilosofisch.

Eigenzinnig en polemisch

Toch is zijn conservatisme ook eigenzinnig en polemisch. Niet alleen Democraten maar ook Republikeinen zijn volgens hem ver afgedwaald van de ideeën van de grondleggers van de Republiek in 1776, The Founding Fathers. De bescheiden overheid die zij voor ogen hadden (geen nieuwe belastingen!) is in de twintigste eeuw - met name in Roosevelts New Deal maar ook onder Ronald Reagan die toch het tegendeel beloofde - uitgegroeid tot een megastaat, die individueel initiatief hindert en verantwoordelijkheidsgevoel afstompt. Niet voor niets draagt hij zijn boek op aan Barry Goldwater, de Republikeinse presidentskandidaat die voor de meeste Amerikanen in 1964 veel te rechts was. Helaas blijft het daarbij een raadsel hoe Roosevelt de bankencrisis en massawerkloosheid van de jaren dertig volgens hem dan wél het hoofd had moeten bieden.

Tegelijk stelt Will vast dat de VS in de twintigste eeuw enorme maatschappelijke vooruitgang heeft geboekt, uiteraard vooral door de vrijheid voor individuen om hun dromen te realiseren. Hij presenteert zijn soort conservatisme dan ook als typisch Amerikaans: het is geboren uit een politieke revolutie, niet uit verzet ertegen zoals het Europese. Het laatste verdedigt ‘troon en altaar’, tradities waar de Amerikaanse Revolutie juist mee brak. Uit Wills boek spreekt dan ook een heilig geloof in individualisme, sociale mobiliteit en de dynamiek van de vrije markt.

Sterker, hij ziet zijn vorm van conservatisme als rechtmatige erfgenaam van het achttiende-eeuwse Verlichtings-liberalisme. Van het streven naar liberty, de vrijheid voor individuen om in zelfgekozen coalities hun ambities na te jagen, zonder onmatige bemoeienis van de overheid. Juist dat liberalisme wordt in Amerika volgens hem verscheurd tussen chauvinistisch rechts en activistisch links.

Narcisme

Ook onder zijn rechtse geestverwanten in Amerika blijft Will daarmee op enkele punten een buitenbeentje. Zo moet hij niets hebben van het autoritaire en nativistische populisme van Trump (die hij nergens noemt); hij ziet dat als de ‘dictatuur van de meerderheid’, waar de Founding Fathers beducht voor waren. Ook is hij wars van de zendingsdrang van evangelische conservatieven die van Amerika weer een ‘christelijke natie’ willen maken. Religie is een privézaak waar, zegt Will de opstellers van de Grondwet na, de staat buiten moet blijven. Tegen linkse én rechtse pleitbezorgers van een sterke overheid bepleit hij daarnaast actief optreden van de rechterlijke macht in het bewaken van individuele rechten.

Activisten eisen er ‘sensitiviteit’ op voor zichzelf of hun groep, maar zijn niet in staat die op te brengen voor anderen.

Een linkse neiging naar intolerantie ziet hij dan weer met name in het Amerikaanse hoger onderwijs, dat volgens hem heeft gecapituleerd voor een narcistische identiteitspolitiek. Activisten eisen er ‘sensitiviteit’ op voor zichzelf of hun groep, maar zijn niet in staat die op te brengen voor anderen, meent Will, en al helemaal niet voor historische figuren, die met terugwerkende moralistische kracht op maat worden gesneden als schoften of helden.

Vervreemdend effect

In zulke passages krijgt Wills nuchter bedoelde betoog alsnog een Spengleriaanse, cultuurpessimistische ondertoon. Als geheel heeft The Conservative Sensibility vooral een vervreemdend effect. Ja, toezicht op de machtige staat is noodzakelijk, en persoonlijke karaktervorming is nooit weg. Maar Will maakt zich te makkelijk af van de vraag of de vrijheid voor allen die hij zo zegt toe te juichen, kan bestaan zonder sturende rol voor de overheid of harde maatschappelijke strijd. De burgerrechtenbeweging kwam er niets voor niets, zomin als de Burgeroorlog. Ook blijft het mysterieus hoe een morele oproep tot herbronnen naar 1776 soelaas kan bieden voor eigentijdse problemen als een klimaatcrisis, een drugsepidemie, publieke verpaupering, of segregatie. Consistent is Wills diagnose zeker; nuchter of realistisch, zoals het een conservatief betaamt, lijkt zijn remedie een stuk minder.


Correctie (19 juli 2019): in een eerdere versie van dit artikel stond dat de Britse denker Burke geboren was in 1792. Dat moet zijn 1729. Hierboven is dat aangepast.