Dennis Warmerdam: „Ik ging van patiënt naar tophockeyer.”

Foto Merlijn Doomernik

Hij was Dennis, hockeyer en had kanker, dat was alles

Interview Ruim een jaar geleden zou Dennis Warmerdam (24) door kanker nooit meer kunnen hockeyen. Hij kreeg zelfs een afscheidswedstrijd. Maar hij keerde tóch terug.

Het was een dinsdagochtend in april toen hij hoorde dat zijn rechterarm eraf moest. Hij had dat bericht die week wel zien aankomen. Drie maanden chemo en je kon de bulten nog zien zitten. Een heel eng gezicht. Zijn onderarm voelde als een spons. Misschien zijn de tumoren juist wel dood nu, dacht hij nog. Het is pas zover als de arts het zegt. Nee dus. Die arm moest eraf.

Die avond ging Dennis Warmerdam naar het Amsterdamse Bos. Naar Pinoké, de club waar hij sinds zijn vijftiende hockeyde. Spits van het eerste team, hij speelde er van de selectie het langst, ook al was hij pas 23. Hij moest aan zijn teamgenoten gaan vertellen dat hij nooit meer kon hockeyen.

De zondag erna was een van de drukste ooit op de club. De laatste thuiswedstrijd, tegen de buren van Amsterdam, en Warmerdam had besloten dat hij wilde spelen – nog één laatste keer. Alsof er nog iets te verergeren viel aan zijn arm, die ging er toch af. Hij had het zijn vrienden en familie verteld, maar er kwamen veel meer mensen op de wedstrijd af, speciaal voor hem. Alle spelers in de hoofdklasse liepen die dag warm in shirts met zijn nummer erop: 13. In de dertiende minuut kreeg hij applaus van het publiek. Een eerbetoon voor een afscheid van het tophockey dat veel te vroeg kwam.

Maar de man die nooit meer zou kunnen hockeyen stond een jaar later, eind mei, op het veld in de finale van de Gold Cup, het bekertoernooi. Gezond. Mét zijn rechterarm. „‘Holy fuck, je bent er nog!’, zeggen ze nu tegen me.”

Bekijk hier de beelden van de afscheidswedstrijd op 22 april 2018:

Zenuwschokje bij het wokken

Dennis Warmerdam (24) heeft een onwerkelijk jaar achter de rug. Een dag na het interview gaat hij met zijn vriendin een maand naar Thailand, ter afsluiting van alles wat er is gebeurd. Daarna gaan ze samenwonen in Amsterdam, waar ze beiden studeren. Nu zit hij aan tafel bij zijn ouders in Heemstede, de plek waar hij in de moeilijkste periodes rust vond, om terug te blikken.

Het verhaal gaat bést ver terug, zegt hij. Het was 2015 en hij had pijn aan zijn pols. Maar pijn hoort erbij. Hij is topsporter, traint vijf keer per week. Dan ga je niet mekkeren. „Als je geen pijn hebt, ben je dood, zeiden we altijd.” Maar de pijn was er ook als hij niet hockeyde. Kreeg hij opeens tijdens het wokken een zenuwschokje door zijn pols. Gek vond hij het wel, maar hij kon met de pijn leven.

Hij ging die winter toch naar een ziekenhuis in Zaandam. Overbelasting, klonk het. Geïrriteerde pees. Zijn arm ging in het gips. Dan krijg je extra rust, vertelde de arts hem. Toen het gips er na drie weken afging, had hij nog steeds pijn. Maar intussen wel blijven hockeyen. De competitie begon na de winterstop weer, dús ga je spelen, zegt hij. Zo’n ‘dus’ die alleen sporters begrijpen. „Het was niet chill, maar ik kon leven met de pijn.”

Pas in december 2016 zocht hij ergens anders heil, na een jaar van zich verbijten en door elke pijnscheut heen spelen. Hij sliep inmiddels minder goed, lag verkrampt in bed, omdat alleen dan de pijn te doen was. In een privékliniek in Amsterdam was er een arts die voor het eerst iets anders opperde dan rust. Uit een MRI-scan bleek dat er littekenweefsel op een zenuwkoker drukte. Die frictie gaf de pijn. „Ik dacht: dit is de man die me gaat helpen. Rust, dat wil je als topsporter niet horen. Wat willen we bereiken met nóg meer rust?”

Gas terugnemen zit er bij hem sowieso niet in, zegt hij. Zeker niet als hij hockeyt. Hij leeft voor die sport, liet er dingen voor – zo koos hij bewust voor studievertraging. „Als ik een bal zie rollen, word ik een soort dolle hond.” Alles wat zijn sport in de weg staat, ook zijn eigen tegensputterende lichaam, ervaart hij als hinder, is irritant. „De pijn hoorde erbij, die was ik gaan accepteren. Je wilt niet denken aan dat er iets mis is en wat er dan zou moeten gebeuren.” Op internet zoeken naar symptomen deed hij ook niet. „Als je googelt, ben je meteen dood.”

Na een operatie volgden pijnvrije weken. Het voelde als een briljante ingreep. Totdat het leek alsof littekenweefsel zich begon op te hopen, waardoor hij zijn arm helemaal niet meer kon bewegen. Hij moest ’s nachts in een spalk die zijn arm langzaam zou moeten oprekken.

Zijn hockeyspel leed eronder, ook al was hij daar destijds niet zo mee bezig. Onbewust was hij wel veel meer met zijn backhand gaan doen, als hij de keuze had. Omdat het dan minder pijn deed. De meeste hockeyers slaan toch nog altijd liever met hun forehand. Hij werd dat seizoen nog wel clubtopscorer van Pinoké. En in die periode kwam er zelfs, voor het eerst, het verzoek om mee te trainen met Oranje tijdens de play-offs in de hoofdklasse. Maar na de eerste keer moest hij afhaken vanwege de pols. De spalk had niet geholpen.

Tijdens een vakantie van een maand met zijn vriendin in Australië – van Sydney naar Cairns per camper, een reis van 2.500 kilometer – werd hem duidelijk dat het zo niet langer kon. Op een gegeven moment moest hij het busje langs de weg parkeren omdat hij het stuur niet meer kon vasthouden. „Dat ging helemaal nergens over. Mijn vriendin maakte zich zorgen, maar ik ben al van jongs af aan iemand die zegt dat het wel goed komt. En zo niet, dan toch.”

Etentje met schoonfamilie

In de dagen voor de vijfde wedstrijd van het seizoen 2017-2018 brak hij. Hij was tóch weer gaan spelen, wilde het tóch nog aankijken. Als het in december nog net zo erg was, zei de arts in de kliniek, zouden ze de operatie nogmaals uitvoeren. Maar toen was er tijdens een etentje met zijn schoonfamilie dat gesprek met zijn schoonvader.

„Hoe gaat het, heb je pijn?”

„Ja, heel veel.”

„Is dat normaal?”

„Nee, dat is niet normaal.”

Hij wilde van dat gesprek weg, zoals hij dat al anderhalf jaar deed. Iedereen die vroeg of het ‘normaal’ was. „Nee, dat was het niet, zei ik dan: maar …” Zijn schoonvader bleef doorprikken, tot Warmerdam ineens keihard begon te huilen. „Tweeënhalf jaar frustratie en pijn kwamen eruit. Ik had me tot dan vermand.”

Hij besloot dat het zo niet langer kon, de operatie moest zo snel mogelijk plaatsvinden. Na de tweede ingreep kreeg hij te horen dat iets in zijn arm er niet goed uitzag. Zijn weefsel werd naar Harvard gestuurd, omdat in Nederland niemand wist wat er nou precies mis was. Acht weken moest hij wachten op de uitslag. Het stemde hem positief. „Als er iets mis is, horen mensen dat toch de volgende dag, dacht ik.”

De cellen bleken kwaadaardig, maar het kostte Warmerdam uren om zijn moeder te vragen om de bevestiging die hij tot dan toe had vermeden. Ja, hij had kanker.

De arts in het AMC in Amsterdam vertelde een dag later dat hij een zeldzame vorm van kanker had en dat hij zou doodgaan als hij niet snel werd geholpen. En ook zei hij dat Warmerdam als topsporter waarschijnlijk meteen wilde weten wanneer hij weer zou mogen hockeyen. Dat klopt, had hij nog grijnzend geantwoord. Overleven, zei de arts, heeft prioriteit.

De veiligste weg: amputatie. Opereren was een optie, misschien dat ze nog wat pezen konden redden. Dat hij zijn duim in ieder geval nog zou kunnen bewegen om nog wat te kunnen indrukken. Misschien ook zijn wijsvinger, zodat hij nog iets kon vastpakken. „Toen zei ik tegen mijn familie: we gaan het maximale eruit halen.”

Een extreem grimmige chemokuur, die drie maanden in zijn arm zou doorwerken, bleek een ultieme poging om functionaliteit te redden. Hij beleefde die periode in een waas. Ging langs bij Pinoké om te laten zien: hé, ik ben er nog. Hij wilde geen kankerpatiënt zijn, want dan word je door iedereen zo behandeld. Dan wordt medeleven medelijden. Hij was Dennis en had kanker, dat was alles.

Toen bleek na die drie maanden de tumor groter geworden.

Een week na de afscheidswedstrijd op die zondag in april 2018 werd Warmerdam gebeld door het AMC. Ze zouden toch proberen of ze pezen konden behouden die ze normaal zouden wegsnijden – de arm kon er later altijd nog helemaal af.

Zo werden spieren en huid van de binnenkant van zijn been getransplanteerd. Een geinig verhaal, zegt hij: de twee moedervlekken die op zijn been zaten, zitten nu op zijn arm. Elf uur duurde de operatie. Nog duf van de narcose merkte hij meteen dat hij zijn duim en wijsvinger kon bewegen. Zijn vriendin wierp toen een blik onder de deken waar zijn arm lag en zei: Dennis, je kunt je hele hand bewegen. „Dat was het moment dat ik dacht: ik ben er nog.”

Lees ook dit interview met Thijsje Oenema: ‘Shit, dacht ik, ik ben er over een tijdje niet meer’

Nooit voorzichtig

Nog altijd weten de artsen niet waarom alle functies in zijn arm na de operatie zo goed bleken te werken. Volgens hen hielp het dat Warmerdam snel weer bezig ging. Typisch iets voor hem, hij is niet voorzichtig aangelegd.

Hockeystick en bal in de tuin, na drie maanden zelfs alweer een oefenwedstrijd bij zijn oude club De Reigers in Hoofddorp. In een adrenalinerush schoot hij toen met zijn backhand keihard op goal, de bal vloog mooier in de bovenhoek dan bedacht. „Toen dacht ik: ik ga weer hockeyen. Ik ging van patiënt naar tophockeyer.”

Eind vorig jaar volgde een eerste schone scan. Hij had zich ingeschreven bij het tweede team van Pinoké, richtte zich op zijn master Business Administration en kreeg psychologische nazorg. Dit voorjaar trainde hij weer voluit en eind mei was hij dus weer terug bij het eerste. Een jaar na zijn drukbezochte begrafenis als topsporter.

Niemand die hem tot nu toe heeft gevraagd of dat hem geen schuldgevoel gaf. „Maar dat heb ik zeker wel gehad. Ik was bang dat mensen dachten dat ik mijn verhaal had aangedikt of zo, om steun te krijgen. Het gevoel dat ik iemand bedrogen zou hebben.”

Dat bleek onterecht. Het was niet: ‘Hebben we dit gedaan voor je terwijl je er nog bent?’ Maar: ‘We vinden het zo fucking vet dat je er weer bent.’