Opinie

Als de toezichthouder faalt, erodeert het vertrouwen

controle

Commentaar

Een stapeling aan nevenfuncties, mogelijke belangenverstrengeling, het recht op 6,5 ton aan wachtgeld na vertrek, een gigantisch verloop onder het personeel en het verzwijgen van een berisping aan de minister. De optelsom aan misstanden die deze week door NRC werd onthuld bij het Commissariaat voor de Media loog er niet om. Bij de waakhond van de omroepen heerst chaos en stuurloosheid. De algemeen directeur is vorige week per direct vertrokken. Voor de vorige maand afgezwaaide voorzitter is nog geen opvolger. Een ander collegelid is geschorst.

Het roept de vraag op of de toezichthouder nog wel toekomt aan zijn taak: het controleren van de omroepen. En of de toezichthouder zich wel bewust is van de belangrijke taak die op zijn schouders rust.

De rol van toezichthouders hangt samen met de vrijheid die er in een liberale samenleving gegeven wordt aan personen, instanties en bedrijven. Binnen een set door de wetgever vastgestelde regels houdt de toezichthouder in de gaten of de spelers op het veld zich daar wel aan houden. Wordt een overtreding gesignaleerd, dan grijpt de toezichthouder in en legt een sanctie op.

Maar de taak van de toezichthouder beperkt zich niet tot het bewaken van de wettelijke grenzen van de ondertoezichtstaanden. Toezichthouders dienen zelf ook een voorbeeldfunctie te vervullen. Als de moraal bij de toezichthouder te wensen overlaat, zullen de ondertoezichtstaanden zich ook minder genoodzaakt voelen de regels na te leven. Het omgekeerde van goed voorbeeld doet goed volgen.

Keer op keer blijkt echter dat zowel publieke als private toezichthouders hun taak onvoldoende serieus nemen. Het Commissariaat voor de Media is daar een voorbeeld van, maar ook de chaos bij voedselcontroleur NVWA, waar verantwoordelijk minister Schouten van Landbouw onlangs moest ingrijpen.

Toezicht is een serieuze taak, waarbij de belangen van de ondertoezichtstaande en de maatschappij in den brede afgewogen moeten worden. Nu lijken toezichtfuncties te vaak een beloning voor figuren die in de sector hun sporen hebben verdiend of politici die na gedane zaken een ‘parkeerplaats’ behoeven. Ook lijken veel toezichthouders hun taak op te vatten als een van vele nevenfuncties, waarvan sommigen zelfs de schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken ten opzicht van hun toezichthouderschap.

Dat doet afbreuk aan de functie van toezicht. Natuurlijk kunnen ook toezichthouders fouten maken. Als dat gebeurt, is het in de eerste plaats aan de ondertoezichtgestelden om dat bij een rechter aan te vechten. Die beslist uiteindelijk of een maatregel al dan niet terecht is en of de strafmaat proportioneel is.

Als een toezichthouder zelf ten onder gaat aan wanbeleid, ontstaat een ander probleem. Erosie van vertrouwen. De verleiding is groot om dan nog maar een extra controlelaag op het toezicht te zetten, in het kader van ‘wie controleert de controleur’. Dat is een heilloze weg. Beter zou het zijn als toezichthouders van elkaar leren: wat werkt wel, wat werkt niet, en hoe dienen toezichthouders zich te gedragen.

Goede toezichthouders moeten zich bewust zijn van de belangrijke taak die zij hebben bij het borgen van goed functionerende publieke instellingen. Dankzij hen kan het vertrouwen in de ondertoezichtgestelden gewaarborgd worden en in het beste geval zelfs toenemen. Iedere toezichthouder dient daarom aan de hoogste eisen van integriteit en onkreukbaarheid te voldoen. Daarbij past geen stapelen van nevenfuncties en het verzwijgen van berispingen.