Opinie

Ook ik was als politieman tot discriminatie in staat

Etnisch profileren bij staande houden? Piet van Reenen heeft moeite het te erkennen, maar in zijn handelen destijds als politieman „speelde kleur zeker mee”.

Advocaat Gerald Roethof in 2016 naast zijn zwarte Mercedes.
Advocaat Gerald Roethof in 2016 naast zijn zwarte Mercedes. Foto Pim Ras/ Hollandse Hoogte

Zo’n vijftien jaar geleden werd ik door een  Amerikaanse NGO benaderd om mee te doen aan een onderzoek naar “racial profiling” door de politie in Nederland. Ik heb die gelegenheid voorbij laten gaan. Ik  dacht dat er van etnisch profileren geen sprake was in Nederland. Meer een Amerikaans  probleem, dat er hier met de haren bij gesleept werd.

Ik werd pas van dat idee afgebracht door een onderzoek van Amnesty International in 2013. De onderzoeker had een aantal Nederlandse onderzoeken waarin behandeling van minderheden voorkwam, bijeengebracht en  concludeerde dat er  wel degelijk sprake was van etnisch profileren. Er was weinig tegen in te brengen, maar de nationale korpschef ontkende destijds het probleem en de voorzitter van de Centrale Ondernemingsraad brak in woede uit en verweet Amnesty de hele politie schandelijk te hebben beledigd.

Ook ik

Omstreeks dezelfde tijd, ongeveer 2013, keek ik naar een televisiefilm over discriminatie door de politie. Daarin figureerde de advocaat Roethof, een gekleurde man, in een opvallend grote en gepimpte auto. “Ik zou hem ook aan de kant gezet hebben”, schoot door me heen bij het zien van die beelden. Dat niet alleen vanwege de kleur van de bestuurder, maar, zo  moest ik mezelf bekennen het speelde zeker mee. Uitdagend en donker.

Dit is de kern van het probleem: ik word betrapt op het verraad aan een van mijn centrale waarden. Noties van recht en rechtvaardigheid staan geen discriminatie toe, laat staan racisme. Toch zit discriminatie blijkbaar in mijn systeem. En ik heb moeite het te erkennen. Sterker nog, ik voel mij betrapt, want ik denk dat ik het zo goed bedoel.

Verwarrender nog is dat het een deel is van de habitus van de politieman of vrouw, de  inschatting van situaties,  van mensen, het instinct van de politieman. Dat systeem blijkt in een aantal gevallen gewoon een vooroordeel.

Ik word betrapt, ik betrap mijzelf op een verraad aan iets dat me dierbaar is , iets dat deel  was van mijn beroepsidentiteit en mijn persoon. Boos dus.

Verbittering

Ook heel lastig is dat mijn optreden soms het verwijt opleverde dat ik discrimineerde terwijl het dat niet was. “Dat is zeker omdat ik een Marokkaan ben,“  of een Surinamer of een Turk of  een Antilliaan. En dan zijn er ook nog politiemensen die het probleem niet kennen: geen minderheid te bekennen in hun gebied. Zij voelen zich terecht gekwetst.

Het is niet alleen de film die mij overtuigde, maar ook de ervaring en de verbittering van politiemensen met een migratie achtergrond die zich lang inhielden, waarvan sommigen de politie verlaten hebben en anderen nu hun  protest laten horen. Protest is een vorm van loyaliteit, aan een ideaal. Het ideaal van rechtvaardigheid, loyaliteit aan een organisatie die daarvoor hoort te staan. En loyaliteit aan de leden van minderheden die binnen de politie de  brug tussen politie en minderheden proberen te slaan. (tekst gaat verder onder de video)

De huidige korpschef is helder. Er is sprake van discriminatie, misschien ook van racisme. En hij verwerpt het met kracht. Maar de handelingsverlegenheid is groot. Discriminatie mag niet, de norm wordt gesteld, maar wat doe je vervolgens? Want waar een wereld is te winnen, is ook een wereld van problemen. Ik noem er een paar:

  • Ontkenning van het probleem of defensief reageren.
  • Verbittering bij eenheden in de Randstad die vinden dat incidenten bij optreden tegen minderheden door de leiding niet goed verdedigd is.
  • De ‘gebiedsgebonden politietaak’ waar de meeste ellende voorkomt, heeft een voortdurend capaciteitsprobleem
  • Er is gesneden in de leidinggevende lagen binnen de politie: overbelasting is het gevolg..
  • Er is zwak ontwikkeld operationeel leiderschap.
  • De structuur van de basiseenheden deugt niet.
  • Er bestaat intern verlegenheid om sancties op te leggen.
  • De politieopleidingen hadden tot voor kort te weinig aandacht voor rechtsstatelijke waarden
  • Er bestaan vijandige verhoudingen met groepen allochtonen: daardoor worden vooroordelen eerder bevestigd dan  ontkracht
  • De vorming van de nationale politie schiet nog op heel veel plaatsen tekort.

 

Ander beroep

En dit is maar een greep. Het is dus, zo lijkt het, ellendig moeilijk om het probleem aan te pakken. Zie ook de ervaringen in het buitenland. En wat nu? Een ding is duidelijk. De  centrale waarden van de politie staan geen discriminerend gedrag toe. Ook is duidelijk dat racisme als  opvatting niet wordt getolereerd binnen de organisatie. Zoekt u maar een ander beroep, mevrouw of meneer.

Die uitgangspunten zijn zo centraal, dat ze niet kunnen worden weggezet in een programma waarmee een ongelukkige politiecommissaris wordt opgezadeld. Ze zijn voor het behoud van vertrouwen in de politie van vitaal belang. Dit is “Chefsache”, nationaal, en op het niveau van de eenheden. En dat moet het jaren blijven. De korpschef en de eenheidschefs moeten dus aan de bak.

Maar het kan meevallen. Want er zijn ook veel aanknopingspunten:

  • Er zijn heel veel politiemensen die hun stinkende best doen om juist niet te discrimineren.
  • Het sterke rechtvaardigheidsgevoel van politiemensen vormt een goede basis voor de erkenning en de aanpak van het probleem.
  • Allochtone politiemensen, en ook verbitterde vertrekkers, vormen een bron van kennis voor actie.
  • Er zijn voorbeelden van opleidingsprogramma’s binnen de politie die weerbarstige problemen binnen de uitvoering met succes aanpakken.
  • Er is binnen de politie een sterke beweging van ‘leren in de praktijk’ ontwikkeld. Ook daar zijn aanknopingspunten voor experimenten en innovatie.
  • Er is een goed systeem van integrale beroepsvaardigheidstrainingen
  • Er is een toneelproject waar via het toneelstuk ”Rauw” de lastige kanten van het politiewerk aan de orde komen.

 
Ook dit was maar een greep. Maar wat ik zeggen wil is dat er een hoop gedaan kan worden. Ik kijk alleen wel met angst en beven naar de discussie in de Tweede Kamer. Niemand zit te wachten op een politieke discussie waarbij de ene partij de politie verkettert vanwege echte of vermeende discriminatie, de andere roept dat het probleem niet bestaat en de derde dat het de schuld van minderheden is. Hoe mooi zou het zijn als de uitkomst van zo’n debat zou zijn dat de structuur van de basiseenheden wordt aangepast en  het aantal leidinggevenden wordt vergroot. Je weet het nooit.

De Veiligheidscolumn wordt geschreven door deskundigen uit de politiewereld. Piet van Reenen was politieman, onderzoeker, directeur van de Politieacademie en hoogleraar politie en mensenrechten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.