Een Dalí

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 22: een zwemmend schilderijtje.

‘Cabrilla pintada o vaquilla!”, roept Juan joviaal als ik ’m vol verwondering aankijk met het visje in m’n hand. Het bootje dobbert rustig geankerd terwijl het Atlantische water de zonnestralen fel weerkaatst op onze gebronsde armen.

Cabrilla pintada o vaquilla, ik zou ’t die dag nog menigmaal uitspreken en hoe vaker je het herhaalt hoe poëtischer het klinkt. Als je deze woorden met de juiste lyriek en expressie declameert aan een vrouw stort ze zich beslist in je armen. Maar het is dus gewoon een vissoort. Een kleine species, het grootste exemplaar ooit mat 36 centimeter, maar beeldschoon. De Spanjaarden savoureren ’m met schub en vin, maar ik vind ’m te mooi (en te klein) voor de pan.

Zie eens dat guitige muizensnoetje, die vrolijke krulgolfjes op de kop in ’n oneindige reeks bruintinten, chocola, cognac, karamel, mokka, kastanje, met overdwars een rij banden als dikke repen bitterchocola die als een Catalaanse waaier via de rug- en buikvinnen uiteenspatten in sierlijke vonkjes bij de staart. Dit is geen vis. Dit is een kunstwerk. Een zwemmend schilderijtje. Afkomstig uit de buik van Salvador Dalí.

Vlak onder z’n kieuwen klem ik het diertje vast, het kijkt me lijdzaam aan, spartelt niet. Ik druk ’t een kus op de snuit en werp ’t terug in de zee van vrijheid. Maar dan: in plaats van dat-ie meteen naar de bodem wegschiet, blijft-ie bovenop het wateroppervlak spartelen, reddeloos kwispelend met vin en staart.

„Juan!” roep ik, en wijs naar de vis. Lachend lepelt Juan het diertje met een schuifnet op en houdt z’n geopende bekje voor m’n neus. Een vreemd, langwerpig ballonnetje steekt uit z’n keel. Alsof-ie stikt in een dikke opgeslokte duim.

Que es eso?”, vraag ik verbaasd.

Juan haalt een vishaak tevoorschijn en prikt de ballon door. Pssssst! En hij werpt het diertje terug in de zee, waar het meteen de diepte induikt.

Así se lo hace, señor Mohammed!” en hij hengelt rustig verder.

Pas in m’n hotel, na enig onderzoek, begrijp ik wat daar gebeurde. Wat Juan doorprikte was de zwemblaas. Die had zichzelf, doordat het diertje te snel uit de verre diepte omhoog was gehesen, volgezogen met lucht, en wel zo volumineus, dat het door de slokdarm naar buiten uitstulpte: het visje kan dan niet meer zinken. En dan helpt de Spaanse visser een handje – een wijdverbreid gebruik, ontdekte ik.

Echter, wat deze Spaanse vissers niet weten (of interesseert) is dat een lekke blaas betekent dat de vis ten dode is opgeschreven, omdat het niet de vinkracht heeft in hogere lagen te zwemmen.

De mens verkiest onzichtbaar leed boven zichtbaar leed.