Recensie

Recensie Boeken

Wie was Mohammed?

Cultuurgeschiedenis Door de eeuwen heen is het beeld van de profeet Mohammed in het Westen sterk veranderd: dan weer was hij een kerkscheurder en een ketter, dan weer een kundig veldheer of een nobele wilde.

Aquarelschets van Mohammed en zijn engel, Eugène Delacroix (1798–1863)
Aquarelschets van Mohammed en zijn engel, Eugène Delacroix (1798–1863) Illustratie RMN-Grand Palais/ Gérard Blot

In zijn beruchte Regensburglezing in 2006 citeerde de toenmalige paus Benedictus XVI uit een discussie over het christendom en de islam tussen de 14de-eeuwse Byzantijnse keizer Manuel II Palaeologus en een Perzische geleerde. De christelijke keizer zou toen hebben gezegd: ‘Laat me zien wat Mohammed voor nieuws heeft gebracht en je zult er slechts kwaadaardige en inhumane dingen tegenkomen, zoals zijn gebod het geloof dat hij predikte met het zwaard te verspreiden.’

De islamitische wereld boos, excuses van het Vaticaan, en islamcritici en apologeten die over elkaar heen buitelden om de uitspraken van de paus te verdedigen of te weerleggen.

Maar waar kwam dat negatieve beeld van Mohammed (571-632) vandaan? Het was in ieder geval een klassieker: Mohammed als Arabische krijgsheer die zich uitgaf als profeet, met in de ene hand de Koran en in de andere het zwaard, en met zijn leger op snelle paarden en strijdkamelen hele volkeren aan zijn godsdienst onderwierp. Een fanaticus die in tegenstelling tot de ascetische en pacifistische Jezus vooral zijn eigen machtswellust bevredigde. Het is de Mohammed die we van Wilders kennen, maar ook van de SGP, die in haar ‘islam-manifest’ uit 2017 vaststelde dat ‘het liefdegebod van Jezus Christus en het geweldsgebruik van Mohammed een verschil vormen van dag en nacht’.

Ook fundamentalisten laten geen gelegenheid onbenut om die karikatuur van hun profeet te bevestigen, waardoor het negatieve beeld van Mohammed in het Westen alleen maar is versterkt. Maar de westerse perceptie van Mohammed is niet altijd zo eenduidig en negatief geweest, zo blijkt uit een studie van de Britse historicus John V. Tolan (1959), gespecialiseerd in de religieuze en culturele relaties tussen de Arabische en westerse wereld in de Middeleeuwen. In zijn boek Faces of Muhammad stort Tolan zich op de beeldvorming van de islamitische profeet in Europa, zoals die is ontsproten aan de pennen van middeleeuwse kroniekschrijvers, christelijke polemisten, verlichte denkers, oriëntalisten en romantici. Het resultaat is een historisch overzichtswerk, waaruit blijkt dat de denkbeelden over Mohammed grotendeels een weergave zijn van ontwikkelingen in Europa zelf. Anders gezegd: hoe Mohammed door de eeuwen heen werd gepresenteerd zegt bar weinig over de ‘historische’ Mohammed en vooral veel over het Europese zelfbeeld.

Incarnatie van de duivel

Tolan begint in de twaalfde eeuw, op het hoogtepunt van de kruistochten, toen middeleeuwse kroniekschrijvers de christelijke geesten rijp maakten voor de heilige strijd tegen de moslims. In die eindstrijd werd Mohammed neergezet als de belichaming van het kwaad, een incarnatie van de duivel, soms zelfs als de antichrist. Door Mohammed als een afgod te schetsen, zoals in Het Roelantslied, en zijn aanhangers als heidense afgodendienaars, moest bij Europeanen de overtuiging postvatten dat het Heilige Land gezuiverd diende te worden van die heidense praktijken.

Iedere moslim moet ooit naar de heilige stad Mekka. In het Tropenmuseum kun je ervaren hoe het is om daar te zijn. Lees ook: Mekka: de stad die ook nooit slaapt

Een andere manier om het vijandbeeld te versterken was om Mohammed neer te zetten als een kwaadaardige concurrent van Jezus, een charlatan die met trucjes goedgelovige aanhangers vergaarde. Zo zou hij een duif hebben getraind om graankorrels uit zijn oor te pikken, zodat hij mensen kon wijsmaken dat hij in contact stond met de Heilige Geest (de islam kent geen Heilige Geest, niet als concept en al helemaal niet in de gedaante van een duif). Ook zou zijn doodskist in Mekka door middel van magneetstenen in de ruimte zweven, om zo ook na zijn dood gelovigen aan zich te binden (Mohammeds tombe ligt in Medina, waar ook de wetten van de zwaartekracht gelden). Tolan komt met tal van dergelijke absurde voorbeelden, die het stereotiepe beeld van de onwetende en intolerante middeleeuwer bevestigen – hoewel ze ook ontzag inboezemen over diens verbeeldingskracht.

In de late Middeleeuwen zorgen toenemende contacten met de islamitische wereld voor meer kennis over de islam en Mohammed, al blijft een vijandige lezing het uitgangspunt. Inmiddels hebben sommige Europese christenen door dat ze te maken hebben met een monotheïstische religie, en dat Mohammed geen goddelijke status geniet en al helemaal niet als een afgod wordt aanbeden. In polemische geschriften verandert Mohammed steeds meer in iemand die een duivelse sekte stichtte om binnen de christelijke wereld verdeeldheid te zaaien. Dante verbant Mohammed in zijn Goddelijke Komedie niet voor niets naar de binnenste ring van de hel, waar hij als kerkscheurder voor eeuwig in tweeën wordt gereten, de straf voor verspreiders van ketterij.

Verleider en tovenaar

Maar tijdens de Reformatie wordt de beeldvorming ambivalenter, ziet Tolan. De vijandige houding tegenover Mohammed blijft, maar wordt in de felle polemiek tussen protestanten en katholieken steeds meer als instrument gebruikt om de ander in diskrediet te brengen.

Een verschil met de Middeleeuwen is dat de hervormers, in lijn met de hernieuwde interesse in oude en originele teksten, de wens hebben om de Koran daadwerkelijk te lezen. Overigens niet om meer begrip te kweken voor de islamitische religie, maar om ‘Mohammeds leugens en fabels beter te [kunnen] bestrijden.’

Luther hekelde Mohammeds ‘lust’ voor het vrouwelijke geslacht (‘vrouwen zijn Mohammeds God, hart en eeuwige leven’), en Calvijn noemde Mohammed een ‘verleider en tovenaar’. Desondanks vond Luther Mohammed nog een heilige vergeleken met de paus, en konden protestanten enige waardering opbrengen voor Mohammeds godsdienst, die in elk geval een stuk soberder en verdraagzamer zou zijn dan de gecorrumpeerde katholieke leer. Met zijn antiklerikale en iconoclastische boodschap had Mohammed meer gemeen met de protestanten dan ze in eerste instantie wilden toegeven.

Katholieken zagen op hun beurt andere overeenkomsten tussen protestanten en Mohammed. Net als de profeet waren de hervormers erop uit de Kerk te scheuren. En het afzweren van het celibaat door onder meer Luther was in de ogen van de katholieken net zo erg als Mohammeds polygamie.

Getuige van Maria

Opvallend is de rol die de Katholieke Kerk voor Mohammed had weggelegd in het debat over de onbevlekte ontvangenis van Maria – een doctrine die niet door iedere christen werd onderschreven. Volgens die leerstelling zou Maria niet belast zijn met de erfzonde. Omdat Maria een bijzondere positie geniet binnen de islam werd Mohammed door sommige katholieken als ‘getuige’ van de onbevlekte ontvangenis afgeschilderd (al is het concept erfzonde de islam vreemd). De boodschap: als zelfs Mohammed de doctrine onderschrijft, dan zijn de ontkenners ervan ver van de waarheid verwijderd.

De breuk met de christelijke propaganda over Mohammed vindt in de achttiende eeuw plaats, wanneer verlichte denkers hun bronnen kritischer bestuderen. De serieuze Koranvertaling van de Britse arabist George Sale ziet Tolan als een belangrijk omslagpunt, alsook het werk van de Nederlandse hoogleraar Adriaan Reland, die in 1705 zijn boekje De religione Muhammadica publiceerde, waarin allerlei verdraaiingen en vooroordelen over de islam en de profeet werden rechtgezet.

Studie naar de islam stond niet meer in het teken van plichtmatige polemiek, al beschouwde een rechtgeaarde calvinist als Reland zijn werk nog in dienst van het christendom. Andere Verlichtingsdenkers zouden zich niet meer lenen voor dat soort christelijk corvee.

Grootse beschaving

In een toneelstuk dat Voltaire aan Mohammed heeft gewijd, Mahomet ou le fanatisme (1741), komt de islamitische profeet er op z’n zachtst gezegd niet gunstig vanaf. Een ‘ordinaire kamelendrijver’ en ‘bedrieger’, volgens Voltaire, die met ‘het zwaard en de Koran in [zijn] bebloede handen iedereen het zwijgen oplegt’. Aangenomen wordt dat Voltaire Mohammed louter als voorbeeld nam om vooral het fanatisme van de door hem zeer gehate Rooms-Katholieke Kerk aan te vallen.

Overigens stelde Voltaire zijn oordeel over Mohammed later bij in zijn geschiedkundige werk Essai sur les mœurs (1757). Mohammed blijft in zijn ogen weliswaar een machtswellusteling, maar ook een hervormer die zijn aanhangers in geestdrift liet ontsteken en uiteindelijk een grootse beschaving voortbracht. In tegenstelling tot Mozes en zijn Joodse erfgenamen, voegt hij eraan toe; Voltaire had antisemitische trekjes, en bovendien een hekel aan de joods-christelijke traditie in het algemeen.

Napoleon spiegelde zich aan Mohammed, in wie hij een briljante veldheer en staatsman zag.

Een veel positievere houding ten opzichte van Mohammed is te vinden bij de Britse historicus Edward Gibbon, die in zijn magnum opus The Decline and Fall of the Roman Empire (1788) een hoofdstuk wijdt aan de opkomst van de islam en de rol van Mohammed. Ook zijn benadering valt niet los te zien van zijn afkeer van het christendom, waarvan hij vond dat het aan de basis stond van de ondergang van het Romeinse Rijk.

Napoleon

Vergeleken met de uit de hand gelopen christelijke heiligen- en martelarenverering, die in Gibbons ogen meer weg had van afgoderij dan van een monotheïstische godsdienst, leek de islam welhaast een rationele religie. Daar waar christelijke middeleeuwers geobsedeerd waren door wonderen, vond Gibbon het gebrek daaraan in de islam juist vóór Mohammed spreken, omdat die geen wonderen nodig had om mensen te overtuigen. De Koran zag hij als een ‘glorieuze getuigenis van de eenheid van God’, met een boodschap die ‘een deïst zou kunnen onderschrijven’. De waardering van Gibbon voor Mohammed bezorgde hem de spottende ‘beschuldiging’ mohammedaan te zijn.

Of Mohammed al dan niet positief werd neergezet, met de islam of de profeet had het weinig te maken. Voor de verlichte denkers diende de islam eerder als een spiegel om kritiek te uiten op de eigen samenleving en geschiedenis, als denkoefening om een ander en beter Europa voor te stellen.

Het ware conflict speelt zich niet af tussen Europa en de islam, maar binnen de islam zelf, ontdekte Jan Leyers. Lees ook: ‘Het ware conflict speelt zich af binnen de islam zelf’

In de negentiende eeuw, tijdens de Romantiek, is van kritiek nauwelijks sprake meer. Napoleon spiegelde zich aan Mohammed, in wie hij een briljante veldheer en staatsman zag die met succes de Arabische natie verenigde en de geschiedenis voorgoed veranderde. Voor Goethe, die ooit in gesprek met Napoleon Voltaire’s werk over de profeet bekritiseerde, was Mohammed een mystiek figuur, een spiritueel voorbeeld en een held. In zijn Duitse vertaling van Voltaire’s Mahomet haalde Goethe de scherpe randjes er vanaf, om zo de ‘ahistorische en oneerlijke weergave’ van Mohammed enigszins recht te zetten. Maar de meest lyrische beschrijving kwam van de Schotse schrijver Thomas Carlyle, die in zijn literaire pantheon van helden (On Heroes, Hero-worship and the Heroic in History, 1841) Mohammed op een voetstuk zette. Carlyle beschouwde Mohammed als één van de grootste mannen die ooit geleefd heeft, en een groot man kan per definitie geen schurk zijn.

Maar zoals Mohammed niet de duivelse ketter was die christelijke polemisten van hem maakten, zo was hij evenmin de nobele wilde die romantici in hem zagen. In een aquarel van de 19de-eeuwse Franse schilder Eugène Delacroix, Étude pour Mahomet et son ange, ziet John Tolan de geschiedenis van de westerse beeldvorming samenvallen: een Mohammed met een leeg gezicht, waar iedereen zijn visie op kan projecteren. Mohammed is wie westerlingen willen dat hij is.