Recensie

Recensie Boeken

Betoverd door die leuke Aladdin

Désanne van Brederode In haar achtste roman schakelt Van Brederode tussen reisverslag, autobiografie, sprookje, en meer, een losheid die eerst avontuurlijk voelt, maar weinig dwingend is.

Illustratie Paul van der Steen

De vertelster is ‘symboolverliefd’. Ze is ‘een kei in het herkennen, lezen en duiden van tekens die ik hoogstwaarschijnlijk zelf heb aangebracht.’ Dus: als er op een sterrenrijke avond een vriendschap ontstaat in de stad Bethlehem, ziet zij daar grif de komst van de messias in.

Ze zegt er zelfbewust bij dat dat ‘ontzettend flauw’ is, dat weet ze, maar het is nou eenmaal zo dat ze ‘met de tranentrekkende slaafsheid en koppigheid van een ezel’ trouw blijft ‘aan overdonderende “hoe is het in vredesnaam mogelijk?”-ervaringen, aan door de bliksem van het lot geheide mijlpalen’. Ze gelooft erin. Wanneer er in de sterrennacht een winkelier genaamd Aladdin opduikt, die een vuurtje aansteekt in het hart van de vertelster van Wonderlamp, betekent dat de geboorte van een bijzondere vriendschap. Die ‘moet haast wel messiaans zijn, heil brengen’.

‘Heil’ zou je het hoofdthema kunnen noemen van de achtste roman van Désanne van Brederode (1970), ware het niet dat ‘geloof’, ‘hoop’ en ‘liefde’ al evenzeer thema’s zijn, zoals er ook een belangrijke rol is voor overspel – in het oeuvre van Van Brederode één van de terugkerende thema’s. Samen vormen die thema’s de verhaallijn: een vrouw gaat na haar echtscheiding met haar zoon op reis naar Israël en laat zich door Aladdin meevoeren, door het land en door haar gemoed, waarna ze iets wijzer wordt over de liefde.

Monterheid

Al zou je het óók anders kunnen samenvatten, want Wonderlamp is niet zo gemakkelijk te vangen. Het is een overvolle roman, die alle kanten op gaat en eerder pirouettes draait dan lijnen trekt. Wat genre betreft schakelt de vertelling dan ook heen en weer tussen reisverslag, autobiografie, filosofische beschouwing, column, essayistiek, pamflet, lyriek, liefdesverhaal, geschiedenisstudie en sprookje – ik noem ze hier in willekeurige volgorde, zoals Van Brederode ze ook ogenschijnlijk willekeurig opeen laat volgen, net hoe haar pet staat.

De vrouw, een alter ego van de auteur, valt voor de charme van Aladdin, die zich opwerpt als reisleider – en zij en haar zoon laten zich meevoeren, niet wetend of zijn vriendschap oprecht is, of misschien domweg een manier om geld te verdienen aan toeristen. Gaandeweg wordt die vraag minder relevant: de man ís er en geeft aandacht, wat een vorm van liefde is, en dat is waarnaar ze verlangt. Ze is niet zozeer goedgelovig als wel gelovig – buiten het reisverslag om leren we Désanne kennen als een vrouw die graag en hartstochtelijk gelooft, of dat nu in de christelijke God is, of in Allah, karma, sprookjes, antroposoof Rudolf Steiner, een politiek-activistisch doel of een nieuwe liefde die zich aandient.

Dat geloof, die hoop, die liefde geven een uitgesproken monter gevoel aan de roman. Maar die monterheid uit zich ook in een niet-aflatende aandacht voor álles, of het nou een hoofd- of banale bijzaak betreft. De wilde richtingloosheid van Wonderlamp doet denken aan de ontdekkingstocht van een kind dat ‘ervan hield te verdwalen, weg te lopen’, zoals Van Brederode op een zeker punt schrijft. Die dwaling is bovendien vervat in de stream of conciousness van een weinig trefzekere lyricus – haar zinnen gaan nogal eens in hun mededeelzaamheid ten onder. Dat móét zo zijn, het past bij de rusteloosheid van de vertelster: in een relatie vreest ze het gevoel bij een ‘eindstation’ beland te zijn.

Palestijnse Aladdin

Die losheid voelt aanvankelijk fris en avontuurlijk – de ene bladzijde bevind je je in een jeugdherinnering, de volgende in een statement over een ironische opmerking van Jezus, even later in een tirade over het lot van beknelde Palestijnen, dan weer in een kanttekening daarbij.

Maar het verhaal loopt ook weg. Dat er zo weinig, of zo weinig dwingend, lijn in de roman zit, gaat zijn tol eisen. In het tweede deel, waar de apostel Paulus nogal letterlijk zijn intrede doet in het leven van de vertelster, loop je vast in een modderige tekst, die al te particulier en losgezongen wordt. Waar is het deze vrouw, die gescheiden vrouw met haar Palestijnse Aladdin, nou om te doen?

Na haar huwelijk was ze niet minder, maar meer in de liefde gaan geloven.

Daarop krijg je in het derde deel weer zicht: zichzelf en alles om haar heen beschouwend, geeft ze haar leven in volle vaart vorm, na haar scheiding. Ze zoekt naar heil in geloof, hoop en liefde. En daar stuitte ze op, zowel symbolisch als heel concreet, in die ontmoeting met Aladdin, waarop alles terug te voeren is.

Zoals de vrouw over wie Van Brederode een ‘sprookje’ vertelt, zo vergaat het de vertelster: ‘Na haar huwelijk was ze niet minder, maar meer in de liefde gaan geloven: nu wist ze, per toeval, per ongeluk, hoe het kon werken. Dat liefdes zich weinig aantrokken van beloftes en van het schenden ervan, en dat ze, net als de graat in een zalm of forel, recht en stevig en mooi bleven, vorm behielden, ook in een bedje van bloedende ingewanden. Ook op het droge. Juist op het droge.’

Dat is trefzeker en dat geloof je, met Désanne mee. Maar naar zulke pareltjes is het lang en moeizaam zoeken.