100 jaar Citroën: tussen innovatie en waanzin

Eeuwfeest Citroën Op de heilige grond van La Ferté-Vidame viert Citroën komend weekend het honderdjarig bestaan. „Het is één grote familie.”

De Citroën DS19, rond 1955-1960.
De Citroën DS19, rond 1955-1960. Foto Pierre Jahan

Al dagen voor het grote feest begint, draaien de eerste verzamelaars hun motoren warm. Een Traction Avant van voor de oorlog zoeft door de opgepoetste straten. Voor de deur van charcuterie Jacky Deshoulles (‘kampioen van Frankrijk voor de beste bloedworst’) staat een ‘snoek’, de revolutionaire DS uit de jaren vijftig. Op het parkeerterreintje achter de bar des sports zijn lukraak twee sprankelende 2CV’s cabriolet neergezet.

Hier in La Ferté-Vidame, een oh zo Frans stadje van krap 700 inwoners, komen dit weekend Citroën-liefhebbers allerlanden bijeen om het eeuwfeest van het mythische automerk te vieren. Voor de ‘rassemblement du siècle’ worden in een plattelandsdecor dat in honderd jaar weinig veranderd lijkt verzamelaars met vier- tot vijfduizend antieke auto’s uit heel Europa verwacht. Er is muziek, er wordt gegeten en ongetwijfeld veel onder motorkappen gekeken.

„Je wil dit niet missen”, zegt Tammo Brouwer (56) uit Leeuwarden, goed voor vier Citroëns. Met vrouw en kinderen is hij in een lichtblauwe DS onderweg naar Italië, maar nu dus al even hier. Citroën-liefhebbers, zegt hij, zijn „een apart slag mensen” die het „bijzondere karakter” van zo’n auto weten te waarderen. Het is het francofiele merk bij uitstek. Onderweg werd er getoeterd, bestuurders begroetten elkaar, vertelt hij. „Het is één grote familie.”

Citroën, dat is een certaine idée de la France, om president De Gaulle te parafraseren. In de topjaren was het een merk „interclassiste”, analyseerde Le Monde laatst: voor iedere sociale klasse was er een model. De 2CV of Dyane voor de arbeider en de DS voor de bourgeoisie – presidenten en onderwereldfiguren incluis. De ‘Déesse’ (letterlijk: godin) is integraal deel van het Franse erfgoed geworden, symbool van de ‘Trente glorieuses’, de jaren voorspoed na de oorlog, en bezongen door de filosoof Roland Barthes als „het equivalent van de grote gotische kathedralen”.

De Franse president Charles de Gaulle (1890-1970) stapt uit een Citroën DS. Foto Keystone Pictures

Alles draaide om „innovatie en waanzin”, zegt voorzitter Alain Thuret (59) van de koepelorganisatie van Citroën-clubs in Frankrijk die het eeuwfeest organiseert. „Het waren auto’s voor ingenieurs met in de DS het ultramoderne hydropneumatische veersysteem of de hydraulische versnellingsbak. Het bedrijf gaf ontwerpers de vrije hand.” En dat leidde tot wonderlijke noviteiten. „De DS is de enige auto die zelfs op drie wielen kan rijden.” Die kennelijke waanzin, zegt hij, is bij uitstek Frans. „Het is als het Gallische dorp uit Astérix: terwijl de Romeinen goed georganiseerd aanvallen, gaan de Galliërs alle kanten uit, maar uiteindelijk halen ze het beste resultaat.”

De Citroën DS op drie wielen.

La Ferté-Vidame, het stadje waar het eeuwfeest gevierd wordt, is voor het merk heilige grond. Hier kocht de Société André Citroën, toen overigens in handen van Michelin, in 1938 een boerderij en het immense park dat bij het na de revolutie in onbruik geraakte 17de-eeuwse kasteel hoorde. „Het is de kraamkamer van het merk geworden”, zegt Vincent Lalouelle, namens moederbedrijf PSA verantwoordelijk voor de plek.

Achter twaalf kilometer kasteelmuur – het is het grootste ommuurde terrein van Frankrijk – werden hier de 2CV en het prototype TPV getest, meesterontwerper Flaminio Bertoni (1903-1964) ontwikkelde er de DS. Een oorspronkelijke gipsen maquette van de mythische zwarte ‘hippopotamus’, zoals Bertoni hem in eerste aanleg doopte, is terug op de boerderij nadat hij een paar jaar terug de wereld rondging toen PSA DS loskoppelde van Citroën en als zelfstandig merk lanceerde.

PSA gebruikt het terrein in La Ferté-Vidame nog altijd om nieuwe modellen uit te proberen en te analyseren. Niet meer alleen Citroëns, maar ook Peugeots en, dus, het nieuwe merk DS. Het is daarom met enig mysterie omgeven. Van maandagochtend 5 uur tot zaterdagochtend 5 uur wordt 24 uur per dag getest, 5 miljoen autokilometers per jaar. Foto’s zijn dus streng verboden. De dame van de receptie verzegelt de camera’s op telefoons van bezoekers. Ze moeten schriftelijk beloven vijf jaar lang te zwijgen over de auto’s die ze achter de muren gezien hebben.

Foto Pierre Jahan

In het park van totaal 812 hectare ligt 60 kilometer weg van elk soort kwaliteit: pokdalig of met kasseien zoals op het platteland, met scherpe bochtjes, slingerend omhoog en naar beneden, maar ook 32 kilometer strak circuit van het type snelweg waar op sommige plekken snelheden tot 200 kilometer gehaald kunnen worden, vertelt Lalouelle. Met een auto-antenne als aanwijsstokje laat hij op een luchtfoto zien waar vroeger de scheidslijn tussen landbouw en jachtterrein lag en waar nu auto’s getest worden. Tweederde van de grond is bos, heel dicht bos, waar ondanks de auto’s een tiental beschermde vogels leeft.

„Toen de Amicale des Clubs de Citroën me vroeg of ze bij het kasteel een festival mochten organiseren, zei ik: waarom niet. Vervolgens zeiden ze dat ze dan ook met hun oude auto’s op de testbaan wilden. Daar moest ik iets langer over denken”, lacht Lalouelle. Inmiddels heeft hij een speciaal parcours uitgezet. De fabrieksgeheimen worden tijdelijk verstopt. „Het zijn aanbidders van ons merk, dus ze mogen op de eerste rang.”

De kaart van La Ferté-Vidame, met het circuit.

In zijn eigen gloednieuwe wagen rijdt hij een stukje van het rondje dat de verzamelaars dit weekend afleggen. We passeren de ‘Ligne de Bourgneuf’ van 1,7 kilometer waarop de 2CV is getest. Het is een hobbelig bospaadje waar qua bucolisch decor inderdaad maar één type auto passend is. Lalouelle vertelt over de twee TPV-prototypes voor de auto die tijdens de oorlog op de zolder van de boerderij verstopt werden en pas eind jaren zeventig werden teruggevonden. „De Duitsers en daarna de Amerikanen moeten er langs zijn gekomen, maar ze zagen waarschijnlijk niet hoe bijzonder dit was.” Ook die auto’s zaten vol moderne snufjes: een nieuwe ophanging, een carrosserie van duraluminium.

We volgen de kasteelmuur van drieënhalve meter hoog. Daarachter ligt een strook gras, als in Berlijn tijdens de Koude Oorlog, met daarna opnieuw een hoog hek met prikkeldraad. Dan een smal weggetje, een heel dicht bos, en nog eens twee hekwerken voordat het echte testcircuit in zicht komt. „We hebben weinig last van bedrijfsspionage”, zegt Vincent Lalouelle niettemin. Maar je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. „Vroeger waren er weleens mensen die probeerden met een ladder bij de muur te zien wat zich erachter afspeelde.”

Hij houdt halt bij het oude jachtpaviljoen, door PSA recent opgeknapt. In een futuristische glazen zaal, met uitzicht op het park, onthullen ontwerpers hier hun nieuwe creaties aan hun bazen. Zelf zal hij hier tijdens het feestweekend zijn ‘commandocentrum’ inrichten. „We vinden het belangrijk om het moderne aan het oude te koppelen”, zegt hij. „We bouwen op een traditie van Frans automobiel erfgoed. We ontwikkelen ultramoderne auto’s op een historische plek uit de zestiende, zeventiende eeuw in la France profonde.”

Papa, mama, Citroën

Ooit was Citroën zijn tijd ver vooruit. Technisch en met vormgeving, maar ook zakelijk en publicitair: André Citroën liet in 1925 de merknaam op de Eiffeltoren zetten, hij ontwikkelde speelgoedautootjes opdat kinderen, in zijn woorden, zo snel mogelijk drie woorden zouden kennen: „papa, mama en Citroën”. En hij was in Frankrijk de eerste die speciale autokredieten aanbood.

Citroën vroeg zeven fotografen uit zeven steden om in 100 foto’s Citroëns vast te leggen, waaronder Parijs, Tunis, Milaan en New York. Erwin Olaf vertegenwoordigt Amsterdam met dit beeld. Hij zegt: „Het draait voor mij allemaal om het silhouette van de auto’s. Als Nederlander raak ik geïnspireerd door de ontwerpen, al gaat er niets boven het ontwerp van onze nationale trots: het Friese rund.” Foto Erwin Olaf / Citroën Communication / DR

Is die glorietijd voorbij? Veel verzamelaars zijn onvoorwaardelijke liefhebbers – al is bij sommige mensen de verzelfstandiging van de merknaam DS, vijf jaar geleden, niet goed gevallen. Die auto’s, zoals de nieuwe DS 7 Crossback, „zien er prima uit, maar het is niet Citroën”, vindt Tammo Brouwer. „Liefhebbers willen net even wat extra’s.”

Maar wie in oude auto’s geïnteresseerd is, maakt het in praktische zin weinig uit, zegt Alain Thuret diplomatiek. „Het enige dat ik Citroën echt aanreken is dat ze de hydraulica hebben laten varen.” Hij begrijpt het wel: auto’s van verschillende merken worden tegenwoordig op dezelfde platforms gemaakt, dan is het te duur om zoiets uitzonderlijks aan te houden. Maar het is waar, zegt hij: auto’s lijken tegenwoordig wel erg op elkaar. „Er zijn zoveel regels dat er bijna niet meer te vernieuwen is. Over twintig, dertig jaar heb je nog maar één vorm auto, vrees ik.”