Ik hield me zo veel mogelijk gedeisd, zodat ik de Jappen niet opviel.”

Merlin Daleman

De man die Nagasaki overleefde

Dick Büchel van Steenbergen (1920-2019) Hij ging bij de luchtmacht, kwam in een Jappenkamp in Nederlands-Indië terecht, werd dwangarbeider in Nagasaki, en toen was daar ineens die felle lichtflits. „Dit was de laatste keer dat ik dit verhaal verteld heb.”

Een felle lichtflits – en toen werd alles donker. Het was 9 augustus 1945 en de Amerikanen hadden zojuist een atoombom afgeworpen op de Japanse stad Nagasaki. De Nederlandse dwangarbeider Dick Büchel van Steenbergen lag op de grond in de Mitsubishi-fabriek waar hij tewerkgesteld was. Om hem heen stortte het gebouw in, maar als door een wonder bleef hij zelf ongedeerd, in tegenstelling tot de 40.000 mensen die deze dag het leven lieten. „Ik was bewusteloos geraakt van de knal, maar niet veel meer dan een paar seconden. Ik stond op en wankelde naar de uitgang van de fabriek. Buiten was niets te zien: een enorme stofwolk zorgde voor complete duisternis. Toen het stof was neergedaald, zag ik dat Nagasaki verdwenen was. De stad was geheel gelijkvloers. Toen wist ik: dit houden de Jappen niet vol. Ik ga de oorlog overleven.”

Ik spreek Dick Büchel van Steenbergen op een zonnige dag in juni. Kort daarvoor is zijn levensverhaal verschenen in het boek De man die Nagasaki overleefde, van auteur Gregor Vincent. Twee dagen voor onze afspraak heeft Büchel van Steenbergen zijn 99ste verjaardag gevierd. Hij praat ruim een uur lang, met opvallend veel details, over zijn bijzondere ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het idee is dat de krant zijn verhaal afdrukt op 9 augustus, de dag dat de bom viel op Nagasaki. Helaas overlijdt Büchel van Steenbergen op 11 juli; zijn uitvaart was woensdag. Daarom publiceren we dit interview eerder dan gepland.

Lees ook: Uit de lichamen stegen ’s nachts fosforiserende vlammen op

Middelmatige schoolprestaties

Aan zijn jeugd in Bandung denkt hij met plezier terug, zegt Büchel van Steenbergen. Hij is in 1920 in Nederlands-Indië geboren in een gezin dat uiteindelijk uit vader, moeder en vijf zoons zou bestaan. Zijn schoolprestaties omschrijft hij als „middelmatig”. Glimlachend: „Ik was een jongen van de zesjes.” Op zijn achttiende moest hij in dienst. Toen vervolgens de oorlog in Europa uitbrak, tekende Büchel van Steenbergen op aanraden van zijn vader voor zes jaar bij. Zijn oudere broer Eugène deed hetzelfde. „Ik ging bij de luchtmacht, omdat ik piloot wilde worden. Helaas waren er te weinig plekken, dus koos ik voor een opleiding tot fotograaf. Zo kon ik in ieder geval mee in een verkenningsvliegtuig.”

De oorlog in de Stille Oceaan begon op 7 december 1941, toen de Japanners de Amerikaanse vlootbasis Pearl Harbor op Hawaï bombardeerden. Nederlands-Indië was voor de Japanners interessant vanwege de olie die er te vinden was, en ze vielen aan met een grote overmacht. Na vier maanden vechten, capituleerde het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) op 9 maart 1942. Büchel van Steenbergen had al die tijd niets gedaan, omdat hij ziek was. „Ik had malaria. Eerst lag ik in het ziekenhuis, daarna was ik thuis. Ik was te zwak om iets uit te richten.”

De Japanners interneerden na hun overwinning alle Nederlandse militairen in kampen, en Büchel van Steenbergen, die niet krijgsgevangen was gemaakt, moest beslissen of hij zichzelf zou aangeven. „De Jappen dreigden de families te vermoorden van de mannen die zich niet vrijwillig meldden, dus toen heeft mijn moeder me min of meer gedwongen naar zo’n kamp te gaan, uit lijfsbehoud voor de familie. Ik maakte me op zich niet veel zorgen. We verwachtten dat ze ons vrij zouden laten om te werken, maar dat deden ze niet, helaas.”

Büchel van Steenbergen kwam terecht in een kamp bij Batavia, waar de wrede commandant Kenichi Sone de scepter zwaaide. „Hij liet mensen verhongeren, en deelde vreselijk veel slaag uit. Wat hij ook deed, was ’s nachts zogenaamde hygiënische controles houden. Dan moest je naakt in de houding staan en liet hij je voorover buigen zodat hij met een stok in je anus kon controleren of je gezond genoeg was om op transport te gaan.”

Foto Merlin Daleman.

Ranzige vissoep

De gevangenen moesten een diepe buiging maken voor iedere Japanner die ze zagen. „En dat gold ook voor Jappen die zich vijftig meter verderop bevonden. Ik deed dat netjes, want anders kreeg je stokslagen. Buigen kost niks.” Büchel van Steenbergen maakte zich vooral zorgen om zijn vader, die elders verbleef en tbc had. „Gelukkig kon hij met behulp van bevriende Chinezen en Indonesiërs medicijnen bemachtigen.”

Lees ook: Overleven in de hel, op de dag dat de bom op Hiroshima viel

Na een verblijf van een jaar in Indische kampen, werden Büchel van Steenbergen en zijn jongere broer Chris op de boot gezet naar Singapore. Na een kort verblijf daar ging de tocht voor Dick via Vietnam verder naar Nagasaki in Japan, waar hij vier maanden na zijn vertrek uit Indië aankwam. „We zaten met honderden mannen in het ruim. Frisse lucht kreeg je alleen als je aan dek mocht om naar de wc te gaan. Ik probeerde dus zo vaak mogelijk achter iemand aan te lopen die toestemming had om naar boven te komen. Het eten aan boord was verschrikkelijk. We kregen een beetje rijst met vissoep, maar die was zo ranzig dat je alleen van de lucht al misselijk werd. Gelukkig had ik van mijn laatste geld op Java een beetje suiker gekocht, dus ik at de soep niet en hield me in leven met rijst en suiker.”

Altijd was er de angst dat het schip waarop hij zat getorpedeerd zou worden door de geallieerden, zegt Büchel van Steenbergen. „De Jappen gebruikten het schip niet alleen voor krijgsgevangenen, maar ook voor gewoon transport. Dat maakte ons tot een legitiem doelwit.”

In Nagaski aangekomen, werden de mannen die de tocht hadden overleefd als dwangarbeiders aan het werk gezet op de scheepswerf of in de fabrieken van het Mitsubishi-concern. De omstandigheden waren er beter dan in Indië, maar de Japanners traden nog steeds bijzonder hardvochtig op tegen de krijgsgevangenen. „Omdat we ons hadden overgegeven en niet tot de dood gevochten hadden, vonden de Jappen ons eerloos. Ze werden boos van wat zij beschouwden als tekenen van zwakte. Ik ben een keer gestraft door de commandant van het kamp en de volledige wacht, die me allemaal vuistslagen in mijn gezicht gaven. Met alles wat ik in me had, zorgde ik ervoor dat ik op mijn benen bleef staan. Als je onderuit ging, kreeg je nog meer straf.”

Foto Merlin Daleman

Last van spuitrommel

Hoe bleef hij geestelijk overeind temidden van zoveel wreedheid? Büchel van Steenbergen: „Ik trok me in mezelf terug, en hield me constant voor: je gaat het redden, je gaat het redden. Verder hield ik me zo veel mogelijk gedeisd, zodat ik de Jappen niet opviel.”

Büchel van Steenbergen deed netjes zijn werk, maar drukte zich als het kon. „Daarbij maakte ik gebruik van het feit dat ik dysenterie had. Ik had daarvoor in de ziekenbarak gelegen, waar ik me in leven hield door in mijn zakdoek rijst uit te persen en het sap op te drinken. Zo werden in Indië baby’s bijgevoed, en het was het enige wat ik binnenhield. Toen ik beter genoeg was om weer te gaan werken, had ik nog wel last van die spuitrommel. Dat maakte mijn broek vies, dus ik ging dan lang naar de wc om mezelf en mijn kleding schoon te maken. Dat scheelde zo drie kwartier werken.”

Op deze manier slaagde Büchel van Steenbergen erin twee jaar lang in leven te blijven, tot die historische 9 augustus. „Eerder die ochtend was er al een verkenner overgevlogen”, herinnert hij zich. „Ik zag en hoorde het vliegtuig met de bom aankomen en kreeg een onbestemd gevoel in mijn maag. Ik rende het open kampterrein af en ging de fabriek in, waar de schokgolf me omver duwde. Mijn benen waren verdraaid, maar ik had niks gebroken. Toen het stof was neergehaald, heb ik geprobeerd mensen te helpen, maar dat viel niet mee. Uiteindelijk besloot ik de bergen in te vluchten. Daar zaten ook veel Japanners die de klap overleefd hadden.”

Lijken verbranden

Büchel van Steenbergen kwam na enige dagen weer naar beneden en werd ingezet bij het verzamelen en verbranden van de tienduizenden lijken die na de ontploffing waren achtergebleven. Niet veel later capituleerde Japan, maar het duurde nog even voor hij de eerste Amerikaanse soldaat zag. „Pas toen had ik echt het gevoel dat mijn oorlog voorbij was.” De thuisreis nam vele maanden in beslag en Büchel van Steenbergen werd pas begin 1946 verenigd met zijn familie. Wonder boven wonder bleken zijn ouders en al zijn vijf broers oorlog en gevangenschap te hebben overleefd.

Lees ook Atoombom op Nagasaki was “lichtflits in donker bos’ (1991), het relaas van twee Nederlanders die de bom overleefden

Als beroepssoldaat nam Büchel van Steenbergen ook nog deel aan de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Hij emigreerde in 1950 naar Nederland. Zijn vrouw – die overleed in 1991 – en hij hebben drie dochters. Na zijn pensionering stortte hij zich op zijn hobby, de fotografie. Over zijn ervaring in de oorlog vertelde hij maar zelden, tot de aandacht rondom de verschijning van zijn boek ervoor zorgde dat zelfs de wijkverpleegsters wilden weten wat hij vroeger allemaal beleefd had. Al dat praten vermoeide hem. Als we afscheid nemen op die zonnige juni-dag, zegt hij: „Zo, dit was de laatste keer dat ik dit verhaal verteld heb.”

Gregor Vincent: De man die Nagasaki overleefde. Het ongelooflijke verhaal van soldaat Dick Büchel van Steenbergen. Just Publishers. 304 blz. €20,99

Correctie (17 juli 2019): de auteur van het boek werd foutief Gregor van Vliet genoemd in de tweede alinea. Dat moest Gregor Vincent zijn.