Recensie

Recensie Beeldende kunst

De geweldenaar van de Russische avant-garde was een vrouw

Tentoonstelling Niet Malevitsj of Tatlin, maar Natalja Gontsjarova was de grote voortrekker van de Russische avant-garde, zo blijkt op een spetterende tentoonstelling van haar ‘alles-isme’ in Tate Modern.

Natalia Goncharova, Fietser, 1913. Olieverf op doek, 78 x 105 cm.
Natalia Goncharova, Fietser, 1913. Olieverf op doek, 78 x 105 cm. Foto Tate/Matt Greenwood

‘Avant-garde trailblazer’ staat er op de affiches die in de straten van Londen de grote overzichtstentoonstelling aankondigen van Natalja Gontsjarova in Tate Modern. Hoewel Kazimir Malevitsj en Vladimir Tatlin nog altijd gelden als de twee onbetwiste voortrekkers van de Russische avant-garde, is dit niet overdreven. Want vlak voor de Eerste Wereldoorlog was niet Malevitsj of Tatlin, maar Natalja Gontsjarova (1881-1961) inderdaad de ‘baanbreker’ van de Russische moderne kunst, zo blijkt op de spetterende tentoonstelling Natalia Goncharova. Met vele tientallen schilderijen, tekeningen, houtdrukken en ontwerpen voor boeken, kleding en toneeldecors laat deze expositie voor het eerst een compleet overzicht van haar oeuvre zien.

„Gontsjarova is de beroemdste van de Russische vooruitstrevende kunstenaars voor wie het jonge publiek in Moskou en Sint-Petersburg een buiging maakt”, zo wordt Sergej Diaghilev, de oprichter van de Ballets Russes, geciteerd in een van de tentoonstellingsteksten. Toen Diaghilev dit in 1913 vaststelde, had Gontsjarova net een solotentoonstelling in Moskou achter de rug die met ongeveer achthonderd werken de grootste expositie van een vrouwelijke kunstenaar is die ooit is gehouden. Een jaar later haalde Diaghilev Gontsjarova en haar levens- en schilderspartner Michail Larionov naar Parijs om kostuums en decors te ontwerpen voor balletten als Les Noces, op muziek van Igor Stravinsky, een andere ontdekking van de impresario met een onfeilbare neus voor talent.

Diaghilev was niet de enige die voor het werk van Gontsjarova viel. Anders dan de mythe over avant-gardistische kunst wil, stuitte Gontsjarova’s Moskouse monstertentoonstelling niet op onbegrip, afwijzing en hoon, maar kreeg juist veel bijval. Vele duizenden Moskovieten bezochten de expositie en de meeste recensies waren lovend, sommige zelfs jubelend. Haar werk werd ook goed verkocht – de Tretjakov Galerie, het belangrijkste museum van Moskou, schafte zelfs drie schilderijen aan – en na de tentoonstelling kreeg ze tal van opdrachten.

Vele duizenden Moskovieten bezochten de expositie en de meeste recensies waren lovend, sommige zelfs jubelend

Volgens een van de recensenten waren de werken op Gontsjarova’s solotentoonstelling kriskras door elkaar gehangen. Ongetwijfeld had ze dit gedaan om de verbijsterende rijkdom en veelzijdigheid van haar schildersvuurwerk te benadrukken. In de jaren voor 1913 had Gontsjarova zich in korte tijd vrijwel alle nieuwe en iets oudere -ismes uit de West-Europese kunst eigen gemaakt, van symbolisme tot futurisme en van impressionisme tot kubisme. Vaak mixten ze deze stijlen tot mengsels als ‘kubo-futurisme’ of ‘rayonisme’, dat met zijn door elkaar schietende, futuristische bliksemschichten geldt als een van de eerste volledig abstracte stijlen in de schilderkunst. Aan haar brouwsel van importstijlen voegde Gontsjarova ook nog enige Russische en oosterse ingrediënten toe, zoals de invloeden van iconen en Russische en Kazachse volkskunst. ‘Alles-isme’ doopte een criticus haar radicale eclecticisme.

Voltreffers

Het eerste, overrompelende deel van Natalia Goncharova is ingericht in de geest van haar legendarische solotentoonstelling uit 1913. Alle schilderijen, stuk voor stuk voltreffers, dateren hier uit de jaren 1900-1913 en vaak zijn ze, net als meer dan een eeuw geleden in Moskou, kriskras door elkaar gehangen. Zo hangen haar kleurige, expressionistische Parkieten boven de geweldige Worstelaars; ernaast zijn een impressionistisch en een fauvistisch bloemstilleven te zien. En net als in 1913 hebben de imposante religieuze schilderijen, waaronder een groot zevenluik over de Openbaring van Johannes, een eigen zaal gekregen.

Natalja Gontsjarova, Appels plukkende boeren, 1911. Olieverf op doek, 105 × 98 cm. Foto ADAGP, Parijs en DACS, Londen

Maar in andere zalen zijn stilistisch verwante schilderijen juist bij elkaar gehangen. Zo bevinden haar kubofuturistische en half-abstracte ‘machine-schilderijen’, waaronder haar bekende Fietser (1911) die over kinderkopjes stuitert, zich in één ruimte. Het laatste deel is gewijd aan de schitterende kostuums en decors die ze na haar vertrek uit Rusland ontwierp voor de Ballets Russes en andere gezelschappen. Ook haar ontwerpen voor modehuizen in Moskou en Parijs zijn hier te zien.

Ernstige mannen

Het enige gebrek van Goncharova in de Tate is dat de context van haar werk nauwelijks aandacht krijgt. Weliswaar hangen in de eerste zaal schilderijen van André Dérain en Pablo Picasso en zijn er hier en daar wat voorbeelden van Russische volkskunst te zien, maar van de andere Russische avant-gardisten – van wie overigens een opmerkelijk groot deel vrouw was – en van de kunstenaars met wie ze in Parijs verkeerde, ontbreekt vrijwel elk spoor. Zelfs Larionov, met wie ze in de kunst een twee-eenheid vormde, speelt slechts een piepkleine bijrol in de Tate Modern. Zo blijft de vraag onbeantwoord waarom niet de geweldenaar Gontsjarova, maar Kazimir Malevitsj nog altijd de beroemdste Russische avant-gardist is.

Feministen zullen dit laatste wijten aan het gegeven dat Gontsjarova een vrouw was en daarom niet echt serieus wordt genomen. Ongetwijfeld zal dit een rol hebben gespeeld bij haar relatieve onbekendheid. Maar belangrijker is dat de geschiedschrijvers van de twintigste-eeuwse kunst niet goed raad weten met radicaal eclectische kunstenaars als Gontsjarova. De geschiedenis van de eerste helft van de twintigste-eeuwse kunst is nog altijd het verhaal van de opkomst en doorbraak van het modernisme. Hierbij gaat de meeste aandacht uit naar het werk van kunstenaars als Malevitsj, Kandinsky en Mondriaan, ernstige mannen die de lange weg naar volledige abstractie aflegden en na veel getheoretiseer hun non-figuratieve stijl tot beste en zuiverste verklaarden. Voor Gontsjarova was haar eigen abstracte stijl, het rayonisme, niet het eindpunt van haar schilderkunstige ontwikkeling maar slechts een van de vele mogelijkheden waaruit ze, elke dag weer, kon kiezen. „We vinden alle stijlen geschikt voor de expressie van onze kunst”, zo lichtte ze haar alles-isme toe in het Rayonistische Manifest uit 1913. „Stijlen die gisteren bestonden en vandaag.”

Nu het tijdperk van het modernisme al lang voorbij is en het postmodernistische ‘anything goes’ ook in de schilderkunst al tientallen jaren geldt, is het de hoogste tijd om Gontsjarova uit te roepen tot de belangrijkste trailblazer van de Russische avant-garde: met haar alles-isme is ze tenslotte de enige Russische avant-gardist die in het begin van de eclectische 21ste eeuw nog altijd actueel is.