Opinie

Alzheimer

Marcel van Roosmalen

Een paar maanden geleden bundelde ik de columns die ik over mijn moeder schreef. Ze sloeg zich dusdanig kranig door interviews dat ik dacht dat er ondanks beginnende alzheimer nog wel meer in het vat zat. Een podcast. „Waarom geen cameraploeg?”, vroeg een collega. „Heeft Heleen van Royen ook gedaan.”

Ze zat tegenover me in haar rode ochtendjas met gouden stiksels die ze in 1972 van mijn vader had gekregen.

De nieuwe buren waren aan het verbouwen.

Geen half werk: muren en vloeren werden eruit geramd, de glazen in het notenhouten kastje trilden.

„Ik doe de komende weken gewoon geen gehoorapparaat in”, fluisterde ze, want ze was verkouden.

Nu verstond ik haar voor de verandering niet.

Dat was de eerste poging.

Een paar weken later waren we er met de kinderen, die ze ondanks al haar liefde eigenlijk niet meer aankon. Ze probeerde ze te lokken door te rammelen met de koektrommel. Ze verdroeg het niet dat ze niet stil zaten en liet dat merken, hetgeen haar zelf nog het meeste verdriet deed.

Ze sleepte nog wel met kopjes koffie, maar we communiceerden niet meer. De verhalen werden steeds langer, de onderwerpen steeds kleiner.

Overal lagen notities: namen, telefoonnummers, afspraken.

Steeds grotere letters.

Een steeds grotere agenda ook.

De nieuwe agenda was zo groot dat ze hem eigenlijk niet meer kon kwijtraken. De nieuwe zorgmanager was een man. Ze bleef het herhalen.

Wanneer was ze me door de vingers geglipt?

Sinds ze niet meer mee naar het pannenkoekenhuis wil, dacht ik. Dat was sinds haar bloedverdunners in een kluisje lagen omdat ze die anders blijft innemen, en daardoor het huis niet meer durft te verlaten uit angst om de wijkverpleegster te mis te lopen.

Als ik haar nog iets had willen vragen dan was het nu te laat.

En als het te laat is schiet je opeens wel van alles te binnen.

„Wat staat er eigenlijk op tafel?”, vroeg ze.

„Dag mevrouw”, zei ik. „Ik ben uw zoon. Ik ga uw verval opnemen en uitzenden.”

Ze reageerde niet op mijn cynisme en begon over de nieuwe zorgmanager, een man dus, hij had gezegd dat ze de gordijnen niet meer hoefde te wassen.

Ik stopte het opnameapparaat ongebruikt in mijn tas.

Dat toch maar niet.

Misschien dat het lukte om voortaan alleen maar vriendelijk te zijn, jammer wel dat ze dat het eerste zou vergeten.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.