Opinie

Voorlopig zijn de kittens meerdere uren van de dag op de vlucht voor mijn dochters

Marcel van Roosmalen

Het idee kwam weer niet van mij, al was ik er niet op tegen. Een beetje columnist heeft een of meerdere katten begreep ik uit een verhaal over kattenliefde in de Volkskrant. Ze kwamen uit een vertrouwd nest. Als we dan toch landelijk woonden kon dat er ook nog wel bij.

De kittens zijn er nu een week en hebben van de dochters de namen ‘Olga’ en ‘Jozef’gekregen. In het dorp vinden ze dat geen normale namen voor katten, begrepen we via-via.

Ze zullen best een fijn leven krijgen, uiteindelijk.

Maar voorlopig zijn ze meerdere uren van de dag op de vlucht voor mijn dochters. De oudste (3) moet veel liefde kwijt en wil ze de hele dag oppakken en aaien. Wij hebben haar geleerd: als een poes begint te piepen, meteen loslaten.

„Ach lekker ding”, zegt ze dan tot onze grote ergernis, „wil jij soms een lekker koekkie?”

Wij zetten nooit ‘ie’ achter een woord.

De jongste (2) is van de regels en het opvoeden, ze straft ze als ze aan een stoel krabben of op de bank liggen en kijkt als ze met een arm weer eens een poes heeft weggeveegd naar haar moeder, die ook niet van troep houdt.

Maar wel van poezen.

„Voorzichtig”, roepen we de hele dag.

„Het is geen bal.”

„Het is geen handtas.”

„Hij piept, hij vindt het niet leuk.”

Zonder ons waren de nieuwe diertjes al lang in liefde gesmoord.

Zaterdag was ik alleen thuis, de vriendin ging de hort op. Bij het weggaan zei ze: „Ik reken erop dat iedereen nog leeft als ik terugkom.” Ik voelde druk.

Ze was de straat nog niet uit of de woning veranderde in een dolhuis. Iedereen achtervolgde iedereen. Er werd voortdurend gepiept, gehuild of om voedsel geroepen.

De een wilde met een stok ‘tandenpoetsen’, terwijl de ander de diertjes juist winegums en toast probeerde te voeren. Tijdens het eten kieperden ze gezusterlijk hun kommen championsoep over de vloer, waar het grommend werd opgelikt.

’s Avonds leefde iedereen nog.

Ik wilde net tevreden voor de televisie gaan liggen toen de deurbel ging.

Een dorpsgenoot, leeftijdsloos, ik had nog nooit een woord met haar gewisseld. Er was tegen haar gezegd dat ze gerust een keer de poesjes mocht komen aaien. Nou, daar stond, ze kwam aaien. Voor ik het wist kroop ze over onze bank.

„Let maar niet op mij”, zei ze, „ik ben een kattenmens”.

Ik ben toen even op zolder gaan zitten. Toen ik tien minuten later de woonkamer weer binnenliep, was ze weg. Op tafel lag een briefje: ‘Wat een lieve poesjes! Ik kom nog wel een paar keer aaien.’

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.