Recensie

Recensie Theater

Dansen met een drone en andere hoogtepunten van Julidans

Dans Van een voorstelling over de verwoesting van Aleppo tot gevallen van naveltje, naveltje. Festival Julidans beleefde een inhoudelijke en vaak verrassende editie. Met ook een ijzersterke solo van Oona Doherty.

De abstracte en minimalistische, door de natuur geïnspireerde choreografie Ion van Christos Papadopoulos.
De abstracte en minimalistische, door de natuur geïnspireerde choreografie Ion van Christos Papadopoulos. Foto Elina Giounanli

De oogst van Julidans 2019 eindigde na twee weken overwegend in de plus, met goede zaalbezettingen (vol of bijna vol). Zonder een overweldigende uitschieter, maar mét ontdekkingen en verrassingen, een enkel dwaallicht en wat moeizame gevallen van ‘naveltje, naveltje, aan de wand’. De nieuwsgierige dansliefhebber kan nu verzadigd de koffers pakken.

Opvallend waren dit jaar inhoudelijke thema’s als het leven in de digitale wereld en de zwarte identiteit en cultuur. Daarnaast waren er meer vormgebonden aspecten: uiteraard de ‘tribal trend’, en veel voorstellingen legden een directe verbinding tussen beweging en tekst of geluid. Het varieerde van een zekere mate van uitbeelding en illustratie of ‘bodysynching’ (waarin de op zichzelf betekenisloze beweging aan een woord wordt gekoppeld) tot flauwiteiten met de zweverige klanken van een theremin.

Dat laatste deed de bekende Vlaamse danser/choreograaf Sidi Larbi Cherkaoui. Hij verslikte zich in het bespelen van het elektronische muziekinstrument. Alleen met een volleerd thereminist kan zoiets tot iets boeiends leiden en Cherkaoui is dat niet. Samen met voormalig Riverdance-ster Colin Dunne en twee musici stond hij met Session geboekt voor een spetterend slotakkoord van Julidans. Bij vlagen ‘jamden’ ze lekker, waarbij Dunne naast een begaafd improvisator ook een mooie bas bleek en Cherkaoui (wiens zangkwaliteiten beduidend minder zijn) zijn kwaliteiten als spons van dansstijlen bewees in een mooi Iers tapduet. Maar de ideeën waren mager, de humor belegen, het geheel versnipperd. Jammer.

Na Cherkaoui kwam nog de veel minder bekende Christos Papadopoulos. In 2017 verraste hij met het bedwelmende Elvedon, en Ion is opnieuw een abstracte en minimalistische, door de natuur geïnspireerde choreografie. Tien dansers geven de toeschouwer het gevoel door een microscoop te kijken naar het leven onder een dekglaasje. Vreemde, onbegrijpelijke levensvormen – wat dat betreft vertoont Papadopoulos’ werk raakvlakken met dat van Sharon Eyal & Gai Behar. Papadopoulos is echter radicaler, veel spaarzamer. De dansers bewegen naar elkaar toe, scheiden zich af, plakken aan elkaar – waarom, is er een systeem?

De kijkrichting is vrijwel steeds frontaal, zodat elke minimale verandering van houding zichtbaar is en automatisch leidt tot een wijziging in de interpretatie van hun emotie: uitdaging, angst, nieuwsgierigheid. Aangedreven en door de hypnotiserende, ritmische loops in de soundscape van Coti K verdwijnt elk gevoel voor tijd. Het vergt wat tijd om ‘erin te komen’, maar ís de juiste groef gevonden, dan is een uur zo voorbij.

De Syriër Omar Rajeh belicht in #minaret ook het leven in (semi-)abstracte stijl, maar vanuit een totaal andere inspiratie. Zijn voorstelling, met zes dansers en drie musici op elektronica, lijsttrom en oud, is een reactie op de vernietiging van de Syrische stad Aleppo, waarvoor ook de eeuwenoude minaret van de Grote Moskee niet gespaard bleef. Heel even maar, en indirect, zijn beelden van de verwoesting te zien op de telefoontjes en tablets van de dansers die op een tafel liggen. De camera van de drone die boven het toneel zoemt, blijft er even boven hangen, om dan de zes dansers weer dreigend te volgen, die ondanks alles telkens de draad weer oppakken. Het stuk is choreografisch niet altijd interessant, maar het mannenduet en de solo voor de met (blauw) bloed besmeurde dans zijn ontroerend en sterk; de plastische poses van de laatste doen onwillekeurig denken aan Zadkines Rotterdamse sculptuur De verwoeste stad. Als de dronecamera op het publiek richt, maakt Rajeh pijnlijk duidelijk: wij zijn erbij, en kijken toe.

Twee ‘kleinere’ voorstellingen in de tweede week waren expedities naar het eigen ik. Dana Michels blijft onbereikbaar in haar performance CUTLASS SPRING, een zoektocht naar een eigen, authentieke seksualiteit als zwarte vrouw. Aanvankelijk is daar nog iets van te volgen, maar haar non-communicatieve uitstraling wreekt zich. Daniel Linehan zoekt nadrukkelijk wel contact met zijn publiek in Body of Work. In de solo houdt hij zijn ouder geworden lichaam tegen het licht – welke sporen heeft zijn eerdere werk daarin nagelaten? Tegelijk verbindt hij bewegingen met herinneringen aan zijn jeugd: de dood van zijn vader, een bezoek aan Disneyland. Het stuk is sterk als tekst en beweging goed in elkaar grijpen, maar te vaak lijkt de combinatie willekeurig.

Oona Doherty’s solo Hope hunt and the ascension into Lazarus; een portret van de kansarme man uit de Ierse onderklasse.

Foto Simon Graham

IJzersterk is Oona Doherty’s solo Hope hunt and the ascension into Lazarus; een portret van de kansarme man uit de Ierse onderklasse, met een ‘dronken’ proloog op straat voor de Melkweg. Als Doherty het publiek eenmaal naar binnen heeft gejaagd, wordt het menens. Stotterend braakt ze woorden uit, met haar lichaam toont ze de woede en gewelddadigheid, maar ook de onderliggende kwetsbaarheid. Een ontdekking, deze Doherty.

Het waren zo de minder bekende Doherty en Papadopoulos die voor het mooie slotakkoord zorgden. Volgend jaar, als Julidans 30 jaar bestaat, zullen waarschijnlijk meer oude bekenden te zien zijn, maar het ontdekken van nieuwe namen is eigenlijk wel zo interessant.