Opinie

Met een racefiets de Dom op

Wilfried de Jong

Bij een kilo en een liter weet ik precies waar ik aan toe ben. Bij de kaasboer bestel ik vaak een pondje oud, dat is dan een halve kilo. En een pak melk voelt in mijn handen aan als een liter, een liter melk. Meten is weten. Sinds de loodzware zaterdagetappe van de Tour de France is er een nieuwe constante in mijn leven: de Domtoren in Utrecht, vaak afgekort als de Dom. Hij is ruim 112 meter hoog.

Het peloton moest zeven bergen over op weg naar de finish in Saint-Étienne. Dat waren geen reuzen van de allerhoogste categorie, maar bij elkaar opgeteld ging het toch om vierduizend hoogtemeters.

Rekenmeester en tv-commentator Maarten Ducrot maakte een vergelijking met de Dom. Als je de hoogte van de Dom voor het gemak op honderd meter stelt, moesten ze zaterdag dus veertig keer met de trap omhoog.

Terwijl een cameraman de zoutafzetting op de wielerbroek van de Deen Christopher Juul-Jensen filmde en later het geïrriteerde hoofd van de dodelijk vermoeide Simon Yates – een renner in nood wil niet in beeld – had ik het thuis op de bank ook niet makkelijk: ik zat met de Dom in mijn kop.

Rekensommetje: de Dom heeft 465 treden. Maal veertig, dat is in totaal 18.600 treden.

Kom bij een profwielrenner nooit meer aan met anekdotes over de o zo zware pelgrimstocht naar Santiago de Compostella. Op het laatst met kapotte knieën de kathedraal ingekropen? Stel je niet zo aan. Winnaar Thomas de Gendt heeft veertig keer de Dom beklommen met een fiets van zeven kilo en twee volle bidons op zijn rug.

In zijn eentje, zonder hulp van welke god dan ook. Eens te meer werd duidelijk hoe zwaar fietsen in het profpeloton kan zijn. Vincenzo Nibali legde het loodje, hij had tijdens de Giro toch al te veel treden genomen in het glooiende Italië. Ook Wout van Aert boog het hoofd en dacht alleen nog maar aan liggen op een bed, aan eten en drinken. En arme Niki Terpstra, zelfs het indrukken van het drinktuitje van zijn bidon kostte moeite.

Na de etappe ging ik naar het North Sea Jazz festival in Ahoy. Op weg naar een zaal hoog in het complex nam ik een roltrap. Het scheelde minimaal vier gewone trappen; nog geen tiende van de Dom, rekende ik. Mijn ‘klim’ leek op die van een wielrenner met een weggewerkt motortje in zijn frame.

Een slapjanus, dat was ik. Terwijl de coureurs in de eetzalen van de hotels in Saint-Étienne hun lichamelijke tekorten aanvulden met mineralen en koolhydraten, zat ik op het gemak bij het trio van pianist Robert Glasper. De slagwerker speelde een lange solo; het zweet droop langs zijn slapen.

Het drummen kostte hem – grof geschat – vijf à zes ‘Dommetjes’. Best pittig. En toch, het is niets vergeleken met het beklimmen van bergtoppen in de Tour de France.

Wilfried de Jong is schrijver en programmamaker.

Correctie (14 juli 2019): In een eerdere versie van deze column stond dat het aantal hoogtemeters in de etappe gelijk stond aan vierhonderd keer de Dom beklimmen. Dat is onjuist. Het moest zijn: veertig keer. Dat is hierboven aangepast.