Filosoof en wielrenner: Guillaume Martin fietst, dus hij is

Interview | Guillaume Martin Behalve profrenner is de Fransman ook filosoof, met een boek en toneelstuk op zijn naam. In de Tour wringt zijn dualiteit soms.

Guillaume Martin (links) in de ploegbus tijdens de Tour de France. „Als ik fiets, ben ik een fietser. En als ik filosofeer, een filosoof.”
Guillaume Martin (links) in de ploegbus tijdens de Tour de France. „Als ik fiets, ben ik een fietser. En als ik filosofeer, een filosoof.” Foto Joris Knapen

De fietser Guillaume Martin (26) ligt voor apegapen op een tweepersoonsbed in kamer 141 van het Novotel in Mâcon, waar anderhalf uur geleden de langste etappe van deze Tour is geëindigd in een massasprint. Uit beleefdheid maar met moeite schuift hij naar het voeteneind, zijn ruimvallende korte broek stroopt ervan omhoog. Je kunt duidelijk zien dat alleen zijn onderbenen aan zonlicht worden blootgesteld. Hij loenst een beetje, zo zonder bril, maar dat kan ook de vermoeidheid zijn.

Hij heeft zes uur op een zadel gezeten, het was zo’n schier eindeloze dag door het hart van Frankrijk waarop er voor een man die zich in het hooggebergte thuis voelt niks is om naar uit te kijken.

„Het was saai”, zegt hij in verfranst Engels. „Het gebeurt nogal vaak in de Tour dat we moeten wachten, omdat er niks gebeurt. Voor en na een etappe, tijdens. Dan proberen we onszelf af te leiden. Vandaag had ik een gesprek met Anthony Delaplace, die net als ik uit Normandië komt. We hadden het over onze familie.”

De fietser Guillaume Martin, geboren in Parijs en naar een middeleeuwse ruïne verhuisd toen hij één was, is nog geen hoogvlieger. Hij deed twee keer eerder mee aan de Tour, eindigde als 23ste en 21ste in het algemeen klassement en won een paar kleinere meerdaagsen, in Italië, en in eigen land. Dit seizoen reed hij twee keer top-20 in een Waalse klassieker, waar zijn bescheiden ploeg op uitnodiging was, net als in de Tour.

In de julimaand aast hij op dagsucces, omdat hij weet dat een plaats bij de eerste vijftien in de eindrangschikking met zijn capaciteiten het hoogst haalbare is. En daar doet hij het niet langer voor, hij is het zat te ondergáán. „Wie herinnert zich de veertiende van het klassement”, vraagt hij zonder op het antwoord te wachten. „Niemand. Maar een ritwinnaar wordt nooit vergeten. Ik ben liever de hamer dan de spijker.”

Hij is op zoek naar „de grote emoties” die horen bij een ritzege in de Tour. Waarom weet hij niet, en hij hoeft het ook niet te weten. „Als ik daar al te diep op inga, kom ik tot de conclusie dat alles voor niets is. Drijfveren zijn maar verzinsels.”

Daar zul je hem hebben. De filosoof Guillaume Martin, die aan de universiteit van Paris-Nanterre zijn mastertitel haalde, heeft al meer dan een week geen tijd en energie om diep na te denken. De chaos van de Tour is alom aanwezig en laat geen ruimte voor iets anders, maar nu, in de intimiteit van een hotelkamer, wordt hij ertoe gedwongen. „Ik krijg de hele tijd berichtjes, sta journalisten te woord, geef bidons, handtekeningen en ga op de foto met het publiek. Ik word geleefd, ben nu al blij dat het straks klaar is. Maar als het klaar is, ga ik het missen.”

Pijn op de fiets

Zo is het ook met de pijn op de fiets, redeneert hij door. „Als we pijn voelen, willen we dat het stopt. Maar na afloop kijken we ernaar uit. Coureurs zijn allemaal Nietzsche-aanhangers. We wíllen dat pijn eeuwig terugkeert. Dan weten we dat we leven.”

Tijdens een etappe giert zijn hart in zijn keel of staan zijn benen in de fik. Dan is het overleven, zonder overpeinzingen. En ook als de Franse tarwevelden in een waas langs hem heen trekken, is er geen ruimte voor contemplatie. „Dan zíjn we gewoon”, zegt hij. „Alsof je op de snelweg rijdt en na twintig kilometer beseft dat je twintig kilometer hebt gereden. Je schrikt wakker. Iedereen heeft dat wel eens.”

Guilaume Martin

Foto Joris Knapen

Hij schreef uitvoerig over dat proces in Socrate à Vélo, het boek dat sinds februari in de winkel ligt. Op de fiets verandert besef van tijd en ruimte regelmatig onder invloed van een repeterende pedaalslag, een golvend landschap in de hitte, in de cocon die een peloton is. Schrijvend doet hij een poging om wielrennen met filosofie te combineren – zijn twee werelden, die mijlen ver uit elkaar lijken te liggen. In Chalon-sur-Sâone, waar hij de zevende etappe net tot een goed einde heeft gebracht, is het boek met het naderen van de Tour over de toonbank gevlogen. Het laatste exemplaar lag vrijdag in Librairie Develay. Deze Tour komen dagelijks drie mensen bij hem langs die hun boek willen laten signeren.

In Socrate à Vélo stelt de filosoof Guillaume Martin zich een Grieks wielerteam voor dat aan de vooravond van de Tour staat, met Socrates als kopman, bijgestaan door Plato en Aristoteles, knechten, tactisch sterk, fysiek wat minder. Martin, zoon van een theateractrice en een aikido-instructeur, probeert af te rekenen met het hardnekkige cliché dat wielrenners, en topsporters in het algemeen, dom zijn. „Zeker in Frankrijk wordt op mensen die fysiek werk doen neergekeken”, stelt hij. „We zeggen tegen onze kinderen dat ze eerst moeten studeren, en dat ze later altijd nog in een bakkerij kunnen gaan werken. Intellect is hier zeer belangrijk, maar we vergeten dat een lichaam ook intelligent is. Kijk eens naar een profvoetballer, hoe die zich over het veld beweegt. Zonder na te denken, handelt hij. Het lichaam ziet de ruimte, niet het brein. Het beweegt op instinct, is intelligent. Dat wordt onderschat.”

Hij neemt de lezers van de Franse krant Le Monde sinds vorig jaar mee in zijn brein en op de fiets, in Tourkronieken. ‘Je pedale donc je suis’, staat er boven één, een sportieve interpretatie van Descartes – over hoe nadenken op het zadel juist tégen hem werkt.

‘Plato versus Platoche’

Martin schreef ook een toneelstuk, ‘Plato versus Platoche’, waarin hij zich verplaatst in een gefrustreerde Plato, wie het maar niet wil lukken de ideale politieke staat te bouwen. Terwijl Martin de Tour rijdt, wordt het stuk gespeeld op het theaterfestival in Avignon. Hij heeft succes in twee werelden.

Maar de laatste maanden botsen ze steeds vaker, de fietser en de filosoof, zeker tijdens de Tour, als zijn verhaal onder een vergrootglas ligt. „Ik ben niet uniek. In de jaren negentig had je Pedro Horrillo, filosoof én renner. Alle journalisten willen het nu weten, komen met dezelfde vragen. Ik ben net een aap in een kooi.”

Hij worstelt met zijn dualiteit. Als hij succesvol is op de fiets, is dat extra knap omdat hij eigenlijk filosoof is. En als hij een goed boek heeft geschreven, is dat nóg beter omdat hij eigenlijk fietst. „Maar zo werkt het niet. Als ik fiets, ben ik een fietser. En als ik filosofeer, een filosoof. Zo wil ik beoordeeld worden.”

En nu moet hij rusten. Hij wil fietsen noch denken.