Onder toezicht van Jeugdzorg werd ze slachtoffer van misbruik, nu klaagt ze de Staat aan

Jeugdzorg Jeannette de Geus is een van de honderden aanvragers die genoegdoening wilden voor misbruik in de tijd dat ze als kind onder Jeugdzorg viel. Acht jaar later klaagt ze de Staat aan. „Het is mijn taak dit tot het einde uit te zitten.”

Volgens Jeannette de Geus en Frank Bakel zitten er „weeffouten” in het systeem om misbruikslachtoffers genoegdoening te geven.
Volgens Jeannette de Geus en Frank Bakel zitten er „weeffouten” in het systeem om misbruikslachtoffers genoegdoening te geven. Foto Frank Ruiter

Dank U voor deze nieuwe morgen

dank U voor elke nieuwe dag

dank U dat ik met al mijn zorgen

bij U komen mag

Ze zong ’t liedje bij bijzondere gelegenheden. In de kapel ten overstaan van de nonnen. Of op het pleintje bij het tehuis tijdens de sinterklaasviering, waar ze uit handen van de burgemeester een sinaasappel en wat pepernoten kreeg. Gelegenheden die bij de 14-jarige Jeannette de Geus het gevoel bestendigden dat ze dankbaar moest zijn. Dankbaar dat zíj, regeringskind, weggehaald bij haar moeder en afgestaan door haar vader, mocht bestaan. Dat er een overheid was die voor haar wilde zorgen. Want ze deed er niet toe.

Als tweejarige werd de Rotterdamse Jeannette de Geus uit huis geplaatst. In het Achterhoekse pleeggezin waar ze terechtkwam, werd ze jarenlang misbruikt. Pas als volwassene bouwde ze een eigen leven op. Ze ging psychologie studeren, werd maat van een adviesbureau, kreeg man en kinderen, kleinkinderen – Jeannette is nu 68 – en ze weet nu: ze is het waard.

Jeannette is een van de honderden melders die de afgelopen jaren probeerden genoegdoening te krijgen voor wat hen als kind mede door toedoen van de overheid is aangedaan. Na onderzoek van de commissie-Samson naar misbruik in de jeugdzorg was hiervoor een regeling opgetuigd. Maar de erkenning en financiële compensatie die Jeanette verwachtte, bleef uit. Ze voelde zich niet altijd respectvol behandeld, en ze is niet de enige.

Erkenning via de bureaucratische weg: ze gelooft er niet meer in. Zoveel tijd en geld naar zwaar bemande commissies met hoogleraren, ambtenaren en juristen die het aangedane leed moesten compenseren. Of het nou gaat om slachtoffers van jeugdzorg, de Katholieke Kerk, het Groningse gas; het zijn procedures bedacht met categorieën en regeltjes en uitsluitingsbepalingen die het leed soms juist versterken in plaats van verzachten. Ze denkt weleens: had dat niet anders gekund?

Nadat haar aanvraag in 2017 was afgewezen, stapte Jeannette naar de Nationale Ombudsman en die gaf haar gelijk. ‘Onnavolgbaar’, noemde hij het oordeel van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, dat de regeling voor misbruikslachtoffers uitvoerde. En met die uitspraak in de hand heeft Jeannette nu de Staat en jeugdzorg aangeklaagd wegens onrechtmatig handelen. De dagvaarding ging deze maand de deur uit.

Samen met haar man Frank Brakel blikt ze terug op de procedure. Thuis, op de bank in Amsterdam. Het is de zoveelste keer dat ze haar verhaal vertelt. Het kost haar soms zichtbaar moeite, het roept ook weer herinneringen op. Toch wil ze het doen. „Ik zie het als mijn taak dit tot het einde uit te zitten.” En ach, ze kunnen er ook om lachen, de bureaucratie, de absurditeit ervan, humor houdt hen op de been. Het traject dat voor haar was opgetuigd zien ze als een kluwen wol met een draadje eruit, waaraan je kunt blíjven trekken. Acht jaar inmiddels, „en de wol is nog altijd niet op”.

Het eerste contact was een telefoontje, in het najaar van 2011. Jeannette gaf gehoor aan de oproep voor misbruikslachtoffers om zich te melden en kreeg een vrijwilliger van de commissie-Samson aan de lijn. Die begon meteen vragen te stellen: wat was er dan gebeurd, wanneer, waar, met wie? Ze had de man gezegd: „Ik voel mij er niet prettig bij daar nu via de telefoon uitgebreid op in te gaan.” In het gespreksverslag dat later over de post kwam, herkende ze nauwelijks haar eigen stem. Ze dacht: gaat dit over mij?

Er volgde een afspraak bij Slachtofferhulp, de instantie die haar zou helpen met het invullen van de formulieren voor het Schadefonds. Er waren twee procedures: de Tijdelijke regeling waarbij de uitkering kon oplopen tot 35.000 euro, en het Statuut, een uitkering tot 100.000 euro, waarvoor een hogere bewijslast gold. Het ging haar niet om het geld, wil ze benadrukken, maar om genoegdoening – „en daar hoort een financiële compensatie bij als moreel gebaar”.

In een kantoortje in Amsterdam werd ze door een vrijwilliger, een vrouw ditmaal, „urenlang doorgezaagd” – ze kan het niet anders noemen – over haar ervaringen met misbruik in haar jeugd. Voor mensen met trauma’s „geen handige manier” van interviewen.

Begin maar met de makkelijkste regeling, was het advies. Daarvoor had ze bewijsstukken nodig: over haar ouders, haar uithuisplaatsing, wie haar voogd was. Jeannette, die tot haar veertiende bij een pleeggezin had gewoond en daarna in een tehuis, had nooit één snipper dossier over zichzelf gezien.

De zoektocht stuurde Jeannette het hele land door: van de Achterhoek en haar eerste tehuis in Rotterdam, tot het Nationaal Archief in Den Haag. Steeds weer moest ze uitleggen wat ze kwam doen. Ze vond het „leerzaam”, maar je moet het maar willen, de confrontatie. Zoals toen ze in het rechtbankverslag over haar uithuisplaatsing las dat haar vader tegen de rechter had gezegd: „Ik kan haar er niet bij hebben.”

In de loop van 2014 kwam de uitspraak van het Schadefonds: Jeannette was ingedeeld in schaal twee. Het fonds hanteerde acht categorieën: hoe ernstiger het leed, hoe hoger de schaal en het smartengeld. Jeannette ging in beroep, er volgde een hoorzitting in Rijswijk.

Opnieuw vertelde ze haar verhaal, nu tegenover een commissielid en een „streng kijkende” jurist. Het was de enige keer in het hele traject dat ze zich gehoord voelde. Jeannette: „Ken je het moment dat je in een zaaltje luistert naar muzikanten en dat je samen opstijgt? Dat je de verbondenheid voelt, de eenheid?” Zo ervoer ze dat gesprek. Ze had het commissielid over het misbruik verteld en zag hém boos worden. Hij toonde empathie. „Hij zag me staan.”

Was het daarbij gebleven, dan had ze er vrede mee gehad. Maar ze ging van categorie twee naar zes en kwam daardoor in aanmerking voor de procedure bij het Statuut. De Staat kon de instelling die toen verantwoordelijk voor haar was, aansprakelijk stellen. Daarvoor moest Jeannette de instelling vínden en met ‘steunbewijs’ aantonen dat die destijds van het misbruik op de hoogte was en niet had ingegrepen.

„Goed je best doen”, was Jeannette altijd gezegd als de voogdes op bezoek kwam in het pleeggezin. Dan gingen ze zitten in de keurige voorkamer en hield Jeannette de schijn op. Maar één keer ging het anders en was er een nieuwe voogdes die met haar ergens anders ging zitten en toen vertelde ze wél het hele verhaal. „Je kunt hier niet blijven”, had ze met grote ogen gezegd. Jeannette bleef achter met het idee dat ze elk moment kon worden opgehaald. Maar dat gebeurde niet. Deze voogdes heeft ze nooit meer gezien – het maakt haar nog altijd kwaad.

De instelling bestond niet meer, er moest een rechtsopvolger worden gevonden. Dat lukte, na een halfjaar. Een nieuwe zoektocht naar ‘steunbewijs’ volgde. Ze belde met iemand uit de Achterhoek die met de voogd aan tafel had gezeten en zich „de pleuris” schrok. „Hij zou na het eten terugbellen, moet-ie nog steeds doen.” Later vond ze alsnog drie oude bekenden die konden getuigen over de impact van de traumatische gebeurtenis met de voogdes.

Mei 2017. Met de bewijsstukken in de hand toog ze naar het deftige gebouw van de Raad van State op de Haagse Kneuterdijk. Daar mocht ze plaatsnemen aan een grote tafel in een kamer met houten wanden en een hoog plafond. Tegenover haar drie hoogleraren en een ondersteuner. De bestuurder van de verantwoordelijke instelling zou volgens het Statuut aanwezig moeten zijn, dit bleek niet het geval. Wel een jurist, namens de tegenpartij. „Gaat uw gang”, zei een commissielid.

Jeannette stond erop dat de bestuurder van de instelling erbij zou zijn. Er volgde een afspraak bij de instelling. Daar hoorde ze van de bestuurder dat het budget van de instelling beperkt was. En dat ze als ze moest kiezen tussen Jeannette en haar huidige pupillen, ze voor die laatsten koos.

Er volgde een tweede hoorzitting in aanwezigheid van de bestuurder, opnieuw op de Kneuterdijk. Jeannette keerde er draaierig van terug. Alle verklaringen en getuigenissen die ze met zoveel moeite had verzameld, kwamen niet aan de orde, de tegenpartij werd niets gevraagd. „We geloven wat u zegt”, had een commissielid gezegd, „maar het bewijs is niet genoeg”. Jeannette hoorde een lid zeggen: „Vorige week nam iemand genoegen met excuses. Waarom doet u dat niet?” Wat haar was overkomen „paste in het tijdsbeeld”, zei een commissielid.

De sfeer werd grimmig, ervoer Jeannette. Er was al zoveel tijd aan haar casus besteed, dat gevoel kreeg ze. „Alsof ik mijn mond moest houden. Moest inbinden, dankbaar moest zijn.” Even voelde ze zich klein worden, dacht weer: zie je wel, het heeft geen zin. De nietigheid van toen.

Dank U, o God, ik wil U danken

dat ik danken kan

Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen zou later zeggen niet te kunnen begrijpen hoe het Schadefonds Jeannettes claim kon afwijzen. De commissie had haar geloofd, vond haar verklaring „authentiek en gedetailleerd”, maar ze had „schriftelijk steunbewijs uit die tijd” moeten hebben. Maar kun je van een kind verwachten dat het over seksueel misbruik vertelt? Dat het aangifte doet? En zelfs dan, „na zoveel jaar zijn veel dossiers vernietigd”. Uit een gesprek tussen de Ombudsman en het Schadefonds bleek dat er soortgelijke gevallen waren, waarin de commissie de regeling op dezelfde manier had toegepast.

In het voorjaar van 2017, nog vóór die laatste hoorzitting, werd de regeling door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum geëvalueerd. Toen bleek al dat voor een deel van de slachtoffers „het beoogde doel niet is bereikt”. Het zelf moeten verzamelen van bewijs was „een zware emotionele belasting”, zagen de onderzoekers. En de individuele financiële aansprakelijkheid van instellingen had soms geleid tot een „verdedigende opstelling van de instelling” en daarmee „voor de slachtoffers pijnlijke confrontaties tijdens hoorzittingen”. De regeling had „met name gewerkt voor de meest zelfredzame, meest veerkrachtige of best gesteunde slachtoffers”.

„Weeffouten in het systeem”, zeggen Jeannette de Geus en Frank Brakel op de bank in Amsterdam. Waarom moet het slachtoffer alle moeite doen? Bewijs opvragen bij een instelling die daar allesbehalve belang bij heeft. Waarom moet die instelling opdraaien voor de genoegdoening, ten koste van de huidige zorg? En waarom geen financiële erkenning, als over de verklaring geen twijfel bestaat? Jeannette: „Als ik door rood licht rijd en een boete van 200 euro moet betalen, kan ik toch ook niet zeggen: ik erken mijn fout en toedeledoki.”

Al die commissies ter genoegdoening, met hun trajecten en procedures, Jeannette en Frank hebben de indruk dat ze vooral zijn opgetuigd voor de buitenkant. „Dat de overheid kan zeggen: ‘Kijk, dit probleem is opgepakt, er is een commissie gevormd en die heeft fan-tas-tisch gedraaid’. Maar het is alsof je zegt: ik heb vier kinderen, met drie ervan gaat het goed. Dat is toch een uitstekende score?”