Opinie

Renovatie Binnenhof vraagt open debat en publieke opdrachtgever

Niet het Rijksvastgoedbedrijf, maar een aan te spreken persoon met ideeën moet invulling geven aan de „meest prestigieuze architectuuropdracht” van Nederland, schrijft .

Illustraties Cyprian Koscielniak

Onder leiding van een staatssecretaris is het Rijksvastgoedbedrijf al enige jaren druk doende om inhoud te geven aan de ‘Operatie Binnenhof’. Volgend jaar moet de grootscheepse renovatie van dit historische complex, de plek waar ons parlement haar publieke gezicht toont, van start gaan.

Niet voor het eerst wordt deze verzameling gebouwen onder handen genomen. In de loop der eeuwen is het Binnenhof, in de dertiende eeuw als residentie uitgekozen door de graaf van Holland, uitgegroeid tot plaats van politieke samenkomst. De gotische Ridderzaal, waar de Verenigde Vergadering der Staten-Generaal gehouden wordt, is het tegenwoordige hart van onze democratie. De laatste grote ingreep was de reconstructie van de Tweede Kamer in de jaren tachtig. Als wethouder stadsontwikkeling van Den Haag was ik daarbij betrokken. Onder de inspirerende leiding van Tweede Kamervoorzitter Wim Deetman en de voorzitter van de bouwbegeleidingscommissie Hessel Rienks (PvdA-Kamerlid) werd met de architect Pi de Bruijn een fenomenale ingreep gedaan.

Daarin is de situering van de Statenpassage, de centrale hal tussen het Plein en de nieuwe plenaire zaal aan de Hofweg, voor de Tweede Kamer een ware zegen geweest. Met deze vernieuwing heeft de architect de vaak historische gebouwen tot de ‘woonhuizen’ van de politieke fracties en de ambtelijke medewerkers gemaakt. Waarbij ieder individueel gebouw, enkel al door haar bouwgeschiedenis, zich kenmerkt door een eigen identiteit en sfeer. Het is dan ook niet gek, dat de gebruikers van het Tweede Kamergebouw gehecht zijn aan de ruimtelijkheid, de intimiteit en de sfeer van wat voelt als ‘hun’ kleine stad.

Dertig jaar later zijn ‘sober en doelmatig’ de sleutelwoorden voor de geplande renovatie van het gehele Binnenhof. Het zijn woorden die veel – verborgen – agenda’s herbergen. Wat is ‘sober en doelmatig’? Is dat een beperkte onderhoudsbeurt, is dat een bescheiden restauratie of is er sprake van een hoger ambitieniveau? Duidelijk is dat het ‘sober en doelmatig’ inmiddels aanleiding is voor een Babylonische spraakverwarring waarbij eigenlijk nooit duidelijk wordt wat nu wel of niet de ideeën achter de renovatie zijn, en vooral: van wie eigenlijk? Vreemd, want wij hebben het hier over de meest prestigieuze architectuuropdracht van ons land.

Staatsgeheim

Met het tot staatsgeheim verklaren van de renovatie van het Binnenhof in 2016 is tot nog toe ieder openbaar gesprek over deze opgave gedoemd om te mislukken. Sterker nog, het fenomeen staatsgeheim is gebruikt als een excuus voor een onderhandse uitgifte van een immense en prestigieuze publieke architectuuropdracht. Waar in 1980 de jonge architect Rem Koolhaas nog mee moest doen aan een ideeënprijsvraag voor de uitbreiding van de Tweede Kamer, gevolgd door een meervoudige studieopdracht die tot de keuze van de architect Pi de Bruijn leidde, is de renovatieopdracht nu enkelvoudig en onderhands in de schoot geworpen van Koolhaas’ Rotterdamse architectenbureau OMA. Waarom accepteerde de Rijksbouwmeester deze inperking van de keuzemogelijkheden? Misschien wel het meest merkwaardige is dat wij allen, toch allemaal onderdeel van de meest mondige samenleving ooit, dit ‘staatsgeheim’ ook nog voor zoete koek aannemen.

Want hoezo staatsgeheim? Alle vroegere beslotenheid ten spijt, er zijn maar weinig geheimen als het gaat om het Binnenhof. Ik ken geen gebouw dat zo openbaar is als het Binnenhof. Als oud-bewoner van zowel de Eerste als Tweede Kamer kan ik in mijn dromen – soms waren het nachtmerries – door de gangen lopen. Ik ken de zolders en de kelders. Wat is er nu eigenlijk zo staatsgevaarlijk aan de renovatie van dit publieke gebouwencomplex? We mogen niet aannemen dat deze publieke gebouwen, ja zelfs de niet-publieke delen ervan, plotseling met een ‘sobere en doelmatige’ renovatie fundamenteel gaan veranderen. En waar dat wel zou gaan gebeuren: in deze tijd van aanslagen op de meest openbare plekken is de geheimhouding van een plattegrond van een publiek gebouw allang geen garantie meer voor veiligheid. Dat vraagt echt om intelligentere antwoorden.

Nee, deze verbouwing raakt letterlijk de fysieke vorm waarbinnen onze democratie functioneert. De bestuurlijke daad om alles voor wat betreft de renovatie van het Binnenhof tot staatsgeheim te verklaren, is dan ook voorbij iedere redelijkheid. In zijn laatste brief heeft staatssecretaris Knops van Binnenlandse Zaken (CDA) geconstateerd dat het Presidium, het bestuur van de Tweede Kamer, „zich kan vinden in het wijzigen van het beleid in ‘openbaar, tenzij’”. Dit is een wel heel cryptische omdraaiing van feiten, alsof de Tweede Kamer het predicaat ‘staatsgeheim’ heeft opgelegd. Maar positief gezien zou het kunnen gaan betekenen dat in september de bouwplannen openbaar worden gemaakt. En het is juist die openheid over het plan maakt dat het mogelijk wordt te beoordelen of de nauwelijks verholen kritiek van de gebruikers (met name de Tweede Kamer) terecht is.

Wie geeft de opdracht en met welk idee?

De hele gang van zaken rond de verbouwing van het Binnenhof roept de vraag op naar het opdrachtgeverschap. Wie is nu eigenlijk de echte opdrachtgever, dan wel de geestelijk eigenaar van deze opgave? Wie is inhoudelijk aanspreekbaar en voelt zich dat ook? En hoe komen de essentiële keuzes in het ontwerp tot stand die bepalend zijn voor de toekomstige kwaliteit van het Binnenhof? Hoe verhoudt dit nieuwe ontwerp zich eigenlijk tot het karakter en de openbaarheid van onze democratie? Wie bewaakt de historische context van ons Binnenhof, maar zeker ook: wie creëert de ruimte om met een hedendaagse toevoeging zowel het Binnenhof zelf, als ook het centrum van Den Haag, te verrijken? Wie maakt nu eigenlijk al deze keuzen en legt daarover aan ons allen verantwoording af?

Anders gezegd: waar is de tegenwoordige Willem II, de graaf van Holland die de Ridderzaal liet bouwen, die, in de woorden van de architect H.P. Berlage, ingebed in „de geestelijke en maatschappelijke stromingen” van deze tijd, bijdraagt aan de totstandkoming van een bouwkunst, die kan worden beschouwd als een „kunst voor de gemeenschap”? Tot nog toe lijkt de Operatie Binnenhof geen echte inhoudelijk opdrachtgever te kennen. Geen aanspreekbaar persoon of college, die voor de vele inhoudelijke keuzes, die nu eenmaal in veelvoud in dit planproces gemaakt moeten worden, de echte verantwoording draagt.

Lees ook: Verbouwing Binnenhof ontaardt in ruzie

Politiek is de renovatie door de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken aangestuurd. Het ontwerpproces verloopt uiterst moeizaam en heeft veel verzet van het bestuur van zowel de Eerste als de Tweede Kamer opgeroepen. Dat feit heeft geleid tot een uitstel van de geplande vaststelling van het voorlopig ontwerp (van welke architect eigenlijk?). De vraag is of dat ontwerp openbaar zal zijn en of de staatssecretaris zich dan ook een echt inhoudelijke opdrachtgever zal tonen.

Materieel is het Rijksvastgoedbedrijf de ambtelijke opdrachtgever van de renovatie. Dat is de constante factor in het geheel. Waar bewindspersonen komen en gaan, blijft het Rijksvastgoedbedrijf bestaan. Dat maakt ook dat deze Operatie Binnenhof een bijna autonoom karakter heeft gekregen. Er is tot nog toe bij het Rijksvastgoedbedrijf geen aanwijsbare persoon die de verbeelding van de opdracht zelf is. Het lijkt erop dat niet begrepen wordt dat juist het bijzondere van ‘deze klus’ is dat het niet alleen om een technische operatie gaat.

Een authentiek opdrachtgever zou de Rijksbouwmeester kunnen zijn. Maar in de huidige ‘gedemocratiseerde’ context is er nog maar nauwelijks ruimte voor iemand die met een autonoom gezag en zo nodig met een veto (en vet rood potlood) zijn invloed kan laten gelden in de vormgeving van de grote rijksopdrachten. En, niet onbelangrijk: de huidige Rijksbouwmeester is deel van het conflict geworden omdat ‘zijn’ architect (Ellen van Loon van OMA) het vertrouwen heeft verloren van de gebruikers.

In de meest ideale situatie komt in een ontwerpproces alles samen bij de architect. Hij of zij is de spil in het hele proces en vertaalt het programma van eisen in ruimte en architectuur. Maar de architect kan nooit alleen een plan maken. Anders gezegd, de bouwkunst zelf kan niet tot stand komen zonder een inhoudelijke opdrachtgever, maar juist die ontbreekt bij deze opgave.

De échte gebruikers

Maar de gebruikers dan? Zij zijn toch de feitelijke ‘eigenaren’ van de opdracht tot de verbouwing van het Binnenhof? Het is toch hun ‘machine’, die moet kunnen functioneren binnen de fysieke grenzen van het Binnenhof? In tegenstelling tot de stichters van het vroegere Binnenhof zijn de huidige gebruikers, hoe voornaam ook binnen onze democratie, gereduceerd tot huurders van een rijksgebouw van een (rijks)vastgoedbedrijf, dat in opdracht van de regering werkzaam is.

Ik kan niet anders dan concluderen dat de ziel van het opdrachtgeverschap ontbreekt bij de verbouwing van ‘ons’ Binnenhof. En dat terwijl de magie van architectuur juist zijn bodem vindt in een dialoog tussen opdrachtgever, gebruiker en architect. Is deze er niet, zal het uiteindelijke resultaat verworden tot een optelsom van technische handelingen, dan wel een egodocument van de architect. Het is dan ook niet moeilijk om te voorspellen dat dit grote project op deze wijze volstrekt uit de hand zal lopen en uiteindelijk niemand verantwoordelijkheid zal dragen.

Naast het opheffen van het staatsgeheim is het belangrijk dat voor de Operatie Binnenhof de opdrachtgever opnieuw wordt bepaald. Dat moet een mens zijn die je kan aanspreken en die ook als autoriteit de rol van opdrachtgever kan vervullen. De oplossing zit dus niet in het aanstellen van een nieuwe tussenschakel in de vorm van een procesbegeleider (Alexander Pechtold). De inhoud kan alleen van de échte gebruikers van het Binnenhof komen. De kern daarvan wordt vertegenwoordigd door de premier, de vicevoorzitter van de Raad van State en de beide voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer. Deze vier personen kunnen met recht worden gezien als de vertegenwoordigers van ‘de geestelijke en maatschappelijke stromingen’, die in samenspraak met hun architect ‘de bouwkunst als kunst van de gemeenschap’ haar karakter kunnen geven. Hoe? Daarvoor kunnen zij vast en zeker bij oud-Kamervoorzitter en ervaringsdeskundige Wim Deetman terecht voor praktische adviezen.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Haagse Zaken: De soap die de verbouwing van het Binnenhof heet
U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.