John McEnroe, gehaat en geliefd, geboren voor controverse

Portret | John McEnroe Zijn derde en laatste Wimbledon-zege dateert van 1984, het jaar waarin John McEnroe (60) de perfectie benaderde. De ontvlambare tennisser van toen wordt nu gezien als de meest gezaghebbende tv-commentator. Hij kan niet zonder tennis – en andersom.

John McEnroe tijdens Wimbledon in 1984, zijn laatste titel in Londen.
John McEnroe tijdens Wimbledon in 1984, zijn laatste titel in Londen. Foto Bettmann

Wimbledon is stil en verlaten, deze koele zomeravond. John McEnroe daalt in korte, felle passen van een heuvel, hoog op een uithoek van het tennispark. Hij is net klaar met zijn optreden in het avondprogramma van de BBC, Today at Wimbledon.

Hij trekt een zwarte cap over zijn hoofd als hij wegloopt van de studioset. Als we hem aanspreken, valt er een stilte. Dan, met die stem uit duizenden, zonder opzij te kijken en zonder vaart te minderen: „Loop snel door, want ik heb haast.” Als hij ziet dat het opnameapparaatje tevoorschijn komt, zegt hij: „Als het een interview is, ben ik klaar voor vandaag. Thank you. Ik ben een beetje vermoeid.”

Hij is een fenomeen voor de eeuwigheid, met een ondoorgrondelijke karakter: John Patrick McEnroe, dit jaar 60 geworden. Gehaat en geliefd, geboren voor consternatie en controverse. 35 jaar geleden won hij Wimbledon voor de derde en laatste keer. Het was in een seizoen, 1984, dat hij de perfectie benaderde: 82 zeges tegen 3 nederlagen. Met 96,5 nog altijd het hoogste winstpercentage ooit.

Hij kan niet zonder tennis – en andersom. Hij wordt gekoesterd als legende en geweten, maar is tegelijkertijd ook altijd de ontvlambare, drammerige, schreeuwende lastpak gebleven. Geweldige speler in zijn tijd, en nu gezien als de meest gezaghebbende tenniscommentator. Entertainer en criticus ineen.

Mensen die hem kennen, noemen hem onvoorspelbaar, vluchtig, veranderlijk. Afstandelijk. Onbeleefd, soms. Maar hij geldt ook als sympathiek, innemend, genereus, humoristisch. Hij moet je vertrouwen, pas dan kan je tot hem doordringen. Wat voor persoonlijkheid gaat er schuil achter dat schild?

„Diep van binnen is hij een goede jongen”, zegt tennisverslaggever Richard Evans (80). Hij leerde McEnroe eind jaren zeventig kennen, raakte bevriend en schreef twee biografieën over hem. McEnroe, opgegroeid in New York als oudste in een gezin met drie zoons, was als tiener „verschrikkelijk verlegen”.

John McEnroe in 1981, ontevreden. Foto Central Press/Getty Images

Evans: „Zijn moeder zei: we waren rookies als ouders. Als er bezoek kwam voor eten, stuurden ze hem naar zijn kamer met een hamburger. Hij voelde zich nooit op zijn gemak met volwassenen.”

Pas een jaar na hun eerste ontmoeting, durfde McEnroe hem aan te kijken. Evans: „Ik had zijn ogen nooit gezien. Als je bij John geïntroduceerd wordt, kijkt hij weg.”

Zijn zeven jaar jongere broer Patrick, oud-proftennisser, vertelt dat John hem liet inzien hoe hij „competitief” moest zijn. „Hij leerde mij hoe je speelt om te winnen. Als ik mijn service oefende en een mand met ballen pakte, vroeg hij: waarom doe je dat, er staat niemand aan de andere kant van het net.”

Intimiderend gedrag

Zijn woedeaanvallen en intimiderende gedrag tegen eigenlijk iedereen op en langs de baan, hebben McEnroe mede gemaakt tot het icoon dat hij nu is. De Amerikaanse acteur Tom Hulce bereidde zich voor op zijn rol als Wolfgang Amadeus Mozart in Amadeus (1984) door wedstrijden van McEnroe te bestuderen.

„Hij had er geen controle over. Mensen dachten dat hij het als act deed, maar dat is niet zo”, zegt Evans. Hij trof McEnroe soms aan in de kleedkamer na wedstrijden. „Dan vroeg hij zich af: waarom doe ik dit? Ik wil dit niet doen. Waarom maak ik het zo moeilijk voor mijzelf?”

In de fascinerende documentaire In the Realm of Perfection uit 2018 wordt McEnroe minutieus gevolgd tijdens Roland Garros midden jaren tachtig. Het levert een intiem portret op van het innerlijke gevecht en de strijd met zijn omgeving.

Zodra je je emoties laat gaan, lukt het bijna nooit om te presteren, stelt de Franse sportpsycholoog Cédric Quignon-Fleuret in de film. Maar McEnroe was in staat de explosies in zijn voordeel te gebruiken. „In zijn geval lijkt het erop dat hij de deur kan openzetten en de leeuw uit de kooi kan laten, zichzelf kan uiten, kan schreeuwen en toch efficiënt kan blijven. Bijna onmogelijk.”

Ingezoomd wordt op de Roland Garros-finale van 1984, als McEnroe zijn grootste instorting beleeft. Na een 2-0 voorsprong in sets verliest hij van rivaal Ivan Lendl. Wanneer na afloop een cameraman voor zijn gevoel te dichtbij komt, slaat hij van zich af met zijn racket.

Roland Garros wist hij nooit te winnen. Als McEnroe nu in Parijs is voor zijn tv-werk, kan hij zich nog ziek voelen als hij terugdenkt aan die finale. Evans: „Tot aan zijn sterfbed zal hij zich die partij herinneren. Als hij daar had gewonnen, zou iedereen gezegd hebben: wat een genie.”

Hij was overgevoelig voor prikkels. Evans: „Hij kon een speld horen vallen op rij vijftien.” Wat hem in de problemen bracht, was het „grote gevoel voor onrecht”, zegt hij. „Als een umpire of lijnrechter iets van hem wegnam, zag hij dat als een affront.”

John McEnroe in 1984 na zijn Wimbledon-triomf. Foto Bettmann

Evans interviewde een van de docenten van de prestigieuze Trinity School in New York, waar McEnroe in zijn jeugd op zat. Bij tenniswedstrijden maakten leerlingen daar zelf hun calls, zonder scheidsrechters. McEnroe ging daar „perfect” mee om. Evans: „Ieder twijfelachtig punt gaf hij aan zijn tegenstander. Want hij wilde niet iets, dat hij niet verdiende. Daar draaide het bij hem dus om.”

De ultieme lelijke Amerikaan

Zijn imago was waardeloos. Dieptepunt was de Australian Open van 1990, toen McEnroe gediskwalificeerd werd nadat hij tegen de supervisor zei: „Just go fuck your mother”. The New York Times noemde hem „de slechtste promotie voor onze normen en waarden sinds Al Capone”.

McEnroe besefte niet hoeveel schade hij zijn reputatie deed, zegt Evans. „Bepaalde klassen in Amerika zagen hem als de ultieme lelijke Amerikaan, die hen in het buitenland vertegenwoordigde. Ze waren furieus hoe hij zich gedroeg.”

Richard Krajicek speelde begin jaren negentig drie keer tegen zijn jeugdidool. Bij een partij in Brussel maakte hij mee wat zijn wangedrag met je kan doen. McEnroe ruziede met de arbitrage, wilde dat een lijnrechter werd vervangen en liet de wedstrijd tien minuten stilleggen.

Diskwalificatie dreigde. Krajicek stond voor, maar zijn ritme werd gebroken en hij verloor. „Dat gedrag lijkt mooi, tenzij jij degene bent die tegenover hem staat”, zegt hij. „De bewondering die ik voor hem had als één van mijn grote jeugdhelden, was door dat voorval wel even minder, maar dat is allang weer weggeëbd.”

Hij is een vrijgevochten kind uit New York. Evans, die een tijd in de stad woonde: „Je moet schreeuwen tegen een New Yorker, anders krijg je zijn aandacht niet. Daar zie je veel van terug in McEnroe.”

Onder invloed van McEnroe, Jimmy Connors en Ilie Nastase populariseerde het tennis in de jaren zeventig en tachtig, zegt Evans. „Zij brachten de niet-tennisfans naar de sport, de man van de straat, die nooit iets met tennis zou hebben. Ze waren voorpaginanieuws.”

Krajicek trof McEnroe ruim tien jaar terug nog op een seniorentoernooi in Londen. Na setverlies gooide hij woest met zijn racket van de ene naar de andere kant. „Hij heeft een grote liefde voor competitie. Hij is de ultieme competitor.”

McEnroe deed zo’n vijf keer mee aan het Nederlandse legends-toernooi, dat in het verleden werd georganiseerd door Paul Haarhuis en Jacco Eltingh. Zijn deelname kostte zo’n 125.000 euro, vertelt Haarhuis. De organisatie moest op zijn tenen lopen. Haarhuis: „Jekyll and Hyde komen binnen. De ene keer is hij Jekyll en de andere keer Hyde.”

Hij kon over alles zeuren, zegt Haarhuis. Een keer was de baan te glad in zijn ogen, en stopte hij halverwege de wedstrijd. McEnroe ging weer spelen toen hem werd verteld dat hij zijn geld anders niet zou krijgen.

Haarhuis: „Als ik hem ’s ochtends op de baan zag, vroeg ik: hé John, goedemorgen, hoe gaat het? Er was altijd zo’n spanning wat er zou komen. De ene dag was het: yeah, I’m fine, great. Dan konden we opgelucht ademhalen. De volgende dag was het: fuck, the driver was late. Dan wisten we: dit wordt een moeilijke dag.”

The Commissioner of Tennis

Perry van der Slink werkt sinds 2015 regelmatig samen met McEnroe bij Eurosport, als floor- en studiomanager bij drie van de vier grand slams. Ze maken onder meer het programma The Commissioner of Tennis, waarin McEnroe actuele zaken bespreekt, met een knipoog. „Het is zijn manier om tegen iets aan te trappen.”

John McEnroe op het centrecourt van Wimbledon, werkend voor de BBC. Foto Jeff Overs/BBC

Hij neemt zijn rol zeer serieus, vertelt Van der Slink. „Als de producer zegt: we hebben het nu, dan wil hij het nog iets beter maken, en doet hij nog een paar regels opnieuw.” McEnroe is niet degene die zegt dat het zo gek mogelijk moet: als het in zijn ogen doorslaat, trapt hij op de rem.

Van der Slink vertelt dat McEnroe er een hekel aan heeft als hij herkend wordt. „Als hij uit de studio loopt en door de mensen heen moet, dan gaan zijn schouders naar beneden en zet hij zijn pet op.”

Bij de US Open in New York neemt hij vaak de achteringang van de studio, daarvoor moet hij een muurtje over klimmen. Een keer bleef hij hangen met zijn broek. „Die was gescheurd. Ik heb hem nog nooit zo horen vloeken.”

Broer Patrick zegt dat John „een beetje milder is geworden”. McEnroe is vader van vijf kinderen, bij twee verschillende vrouwen. „Ze zijn nu volwassen, hij is een goede vader, een goede man.”

McEnroe waardeert het leven nu meer. Patrick: „Hij heeft niet genoeg genoten tijdens zijn tenniscarrière. Hij maakt nu de verloren tijd goed. He enjoys being John McEnroe now.”