Foto's Annabel Oosteweeghel

‘Ik herken me niet in de lady die jij neerzet in je boek’

Zij zingt over hoe ze werd wie ze is, hij wil met zijn laatste boek het debat over identiteit en kleur naar een ander niveau tillen. Zangeres Sabrina Starke en schrijver Robert Vuijsje over typetjes, zwarte poppen en ingewikkeld haar.

Wat onwennig poseren ze voor een oude Amerikaanse pick-uptruck: schrijver Robert Vuijsje (48) en zangeres Sabrina Starke (40). Ze hebben elkaar niet eerder ontmoet. Zij kwam deze warme middag met de trein uit Rotterdam naar Abcoude, hij met de auto uit Amsterdam. Als Sabrina hoort dat er eerst gefotografeerd wordt, spurt ze naar haar kamer in hotel De Witte Dame. Robert wacht op het terras. Als Sabrina terugkomt in een zwierig groen-witte combinatie met gouden oorhangers, snelt hij naar zijn auto voor een jasje.

Terwijl de foto wordt gemaakt, wijst Sabrina naar een wit vrouwenbeeld in de tuin, van kunstenares Elly de Jong. „Wat zie jij erin?” vraagt ze. Zij vindt het erg lijken op de Surinaamse beelden die ze kent. De grote neus, de volle lippen, het kroeshaar. De witte hoedster van het hotel is in feite een zwarte dame, constateert ze. Robert lacht. Hij zag er een figuur uit de Griekse mythologie in, „kijk maar naar die witte duiven erbij”.

Op het eerste gezicht zijn ze tegenpolen – zij vegan uit overtuiging, hij mindert vlees onder druk van zijn vrouw – maar de singer-songwriter en de schrijver delen in hun werk een belangrijk thema: identiteit. Robert Vuijsje verwerkt dat in romans, en in een interviewserie voor de Volkskrant onderzoekt hij wekelijks de rol van afkomst. Sabrina Starke maakt albums met intieme soulliedjes, onder meer over de zoektocht naar haar eigen identiteit. Ze treedt veel op, zoals dit weekend op North Sea Jazz. Beiden hadden zo’n elf jaar geleden een zeer succesvol debuut, waarna een volgend werk minder goed werd ontvangen. Robert heeft nu drie romans op zijn naam, Sabrina zes albums.

Het persoonlijke verhaal is voor allebei het uitgangspunt van hun kunst. Bij een glas witte wijn op het terras – Robert neemt een biertje – vertelt Sabrina hoe ze tijdens haar carrière op zoek ging naar voorbeelden. In haar jeugd waren zwarte rolmodellen op de Nederlandse televisie en in bladen op één hand te tellen. Jetty Mathurin, Gerda Havertong, Nelli Cooman en Ruth Jacott. „Ik zag ‘mezelf’ enkel terug in Amerikaanse series als The Cosby Show, daar keek ik graag naar.” Wanneer we daar wat verbaasd op reageren wegens het tuttige imago van dit programma, zegt ze: „Een zwart gezin, succesvol, gestudeerd, dat zag je niet veel. Het voelde goed om die mensen te zien.”

Lees ook: Het gevoel dat ik er mag zijn wordt steeds groter

Met haar vijfde album maakte Sabrina een statement: ze zette zichzelf samen met 36 zwarte rolmodellen op de cover. Ze wilde een beeld vormen dat ze als jong meisje niet zag. „Ik miste de zwarte rolmodellen, als juf, op vooraanstaande posities in de maatschappij. De schoonmaakster was zwart. Niet de directeur van de school.” Het was emotioneel om samen de hoesfoto te maken, herinnert ze zich. „Als je allemaal in één ruimte bent, sisters ziet die op je lijken en weten hoe die weg loopt om je plekje te veroveren, die snappen welke obstakels er zijn voor een zwart persoon en voor een vrouw, dan is dat waardevol.”

Robert zegt dat hij dat herkent: „Als ik een andere jood in Nederland tegenkom hoef ik m’n familiegeschiedenis niet te vertellen. Het is een soort onuitgesproken iets. Je weet hoe zijn familiegeschiedenis is, want die lijkt op die van mij.”

Precies, de erkenning en de herkenning, de connectie, daar gaat het om, bevestigt Sabrina.

De fase van beleefd aftasten eindigt als Sabrina – op rustige toon – begint te vertellen dat ze moeite had met de verfilming van Alleen maar nette mensen, het debuut van Robert.

Het boek ligt op tafel, met de acteurs van de film op de cover. Imanuelle Grives speelt de rol van een Surinaamse vrouw uit de Bijlmer met grote borsten waartussen haar mobieltje steekt. „Echt weer zo’n typetje”, zegt Sabrina . „Ik herkende mezelf niet in deze lady, dit soort vrouwen. Het is hoe mensen de zwarte vrouw zien. Al is het ook uit het leven gegrepen natuurlijk, niet verzonnen.”

Robert gaat verzitten in de luie terrasstoel. De kritiek is niet nieuw voor hem maar het is zichtbaar dat die hem nog steeds raakt.

„Het is al zo schaars dát er zwarte vrouwen en mannen voorkomen in boeken en films”, gaat Sabrina verder. En dan zo rolbevestigend, dat vindt ze niks. „Een bepaalde groep zwarte mensen zit in een bewustwordingsproces. Dat gaat al langzaam. Dit soort dingen draagt daar niet aan bij. Dat kunnen we niet gebruiken.”

Robert reageert voor ze helemaal is uitgesproken. „Ik heb die film niet gemaakt. Het boek is beter. In de tweede helft van de film komt het volledige scenario niet meer overeen met het boek. Ik kan precies de scène aanwijzen waar de personages anders worden, met andere dialogen ook. Zoals ik het zie, is het boek voor een deel grappig, maar er is wel een dramatische ontwikkeling. De film is louter een comedy, gericht op jongeren. Een goede keuze kun je zeggen, want het werd een succesvolle film. Maar ik word door veel mensen aangesproken over die film, terwijl ze het boek niet lazen.”

Sabrina bevestigt dat ook zij alleen de film heeft gezien. Het verbaast haar dat Robert zich kennelijk niet met de film heeft bemoeid. „Hoe werkt dat dan, ben je er niet bij betrokken?” Hij: „Ik kwam een paar keer op de set. En ik had een klein rolletje. Ik dacht: ik ga niet dagelijks over hun schouder meekijken.”

Robert vertelt verder over de reacties die hij kreeg na zijn debuut, en vooral na de film: heftig. In zalen waar hij voorlas werd hij uitgescholden, en Radio mArt (voor Surinaamse Nederlanders) kon bij zijn komst ‘zijn veiligheid niet garanderen’ – al merkte hij zelf niets van enige bedreiging. Het was frustrerend, zegt Robert. Veel mensen begrepen het boek wel, maar evenveel mensen vonden het een racistisch boek, terwijl hij juist een boek over racisme had willen schrijven.

Robert: „Sabrina zegt dat ik een typetje neerzet. Ik heb de hoofdpersoon zo beschreven omdat ik een voorkeur heb voor een bepaald type vrouw, zoals zoveel mannen. Als mijn voorkeur was geweest: blond, grote borsten en de looks van een fotomodel, zou niemand zich verbazen. Maar ik krijg altijd vragen. Die reacties! Hoe kan het dat jij dát mooi vindt? Dit is niet ons schoonheidsideaal. Ik wilde daar een over the top verhaal over maken, mijn ervaring in Amsterdam Oud-Zuid. En het werden extremen om mijn punt te maken over wat dan alleen maar nette mensen zouden zijn, waarom die reageren op een vrouw die qua uiterlijk of sociale klasse niet voldoet aan het beeld dat zij hebben. In de film is dat nog verder uitvergroot.”

Als we aan tafel gaan voor het diner, komt Robert nog even terug op zijn debuut. Hij zou het boek nu niet meer zo schrijven. Alleen al vanwege de woordkeus. Het ‘n-woord’ komt er bijvoorbeeld een paar keer in voor. „De gevoelswaarde ervan is enorm veranderd. Dat kan niet meer.” Dit jaar verscheen zijn roman Salomons oordeel. Hierin wordt een jongen beschuldigd van verkrachting. Zijn moeder vreest de manier waarop de politie zal omgaan met haar zoon, die door zijn donkere uiterlijk al snel in een verdachte hoek wordt geplaatst. Met de roman wilde Robert de discussies over identiteit en kleur minder oppervlakkig weergeven dan in het publieke debat gebeurt – waar ze het niveau van schelden op sociale media vaak niet overstijgen.

Sabrina vertelt dat ze het luisterboek van de roman heeft beluisterd. Dat leek haar makkelijk, ze had weinig tijd. Grappig, vindt de schrijver dat. „Misschien ben ik er ouderwets in, maar voor mij draait het ook om hoe het is opgeschreven. Waar staat de punt, de komma…”

Mag hij trouwens eens luisteren?

Zij laat hem een fragment op haar telefoon horen. Een wat plechtige stem.

„Hm”, lacht hij.

Het viel haar op dat hij de woorden in dit boek zo nadrukkelijk afwoog: ‘witte Nederlanders’, ‘zwarte moeder’, ‘lichtbruine emoji-duim’. De tijdgeest vraagt om specifiek benoemen, denken beiden. Zeker in een roman die gaat over het al dan niet de confrontatie aangaan over kleur en afkomst.

Sabrina maakt naar eigen zeggen niet heel vaak mee dat ze direct de confrontatie aan moet gaan over haar huidskleur. Eén keer was ze zo overrompeld dat ze niet meer kon reageren. „We waren bij een tv-gig, en zaten met een BN’er samen aan tafel te eten. Toen zei diegene tegen me: ‘Oh, kunnen jullie dat ook! Met mes en vork eten!’ Mijn band schrok erg. Ik zei enkel iets van: ‘Jazeker, kunnen wij dat’. Achteraf heb ik er wel spijt van dat ik daar niks van heb gezegd, maar ik was in shock, ik had zoiets al heel lang niet in het openbaar meegemaakt.” Wie deze BN’ er was, wil ze off the record houden.

Sabrina Starke en Robert Vuijsje. Zij groeide op in Dordrecht, hij in Amsterdam Oud-Zuid. Beiden leerden al vroeg hoezeer je gevormd wordt door je afkomst.

Robert knikt, hij maakte het andersom mee. „Een Surinaams vriendje van een van onze zoons vroeg mijn vrouw eens: ‘Ben je nog met die Joodse man? Maar waarom? Alleen omdat hij rijk is?’ Hij kon geen andere reden bedenken.”

Ben je Marokkaans?

Hij vertelt over zijn kinderen. Hoe zijn oudste van twaalf als twee druppels water lijkt op de twaalfjarige versie van hemzelf. Hoe zijn jongste een andere huidskleur en ander haar heeft dan hij. „Bij de oudste weet ik hoe hij zich door Nederland zal bewegen, omdat ik dat zelf ook heb meegemaakt. Ik weet dat mensen hem soms vragen: ben je Marokkaans? Ben je dit of dat? Dat is voor mij allemaal bekend terrein.” Als hij met zijn jongste zoon over straat loopt, kan hij zich van alles in zijn hoofd halen. Dat mensen ervan uitgaan dat ze niet bij elkaar horen. „Dat mensen met zijn huidskleur naar mij kijken met het idee: dat jongetje hoort bij ons, jij hoort niet bij ons. Dus als ik dan streng tegen hem doe, dan is het, in mijn beleving alsof die mensen denken: die man is nu heel streng aan het praten tegen het jongetje dat bij ons hoort, mag dat wel? Terwijl hij mijn zoon is.”

Of Robert daardoor een andere relatie heeft met zijn oudste zoon dan met zijn jongste, vindt hij een moeilijke vraag. „In principe ben ik even close met allebei maar het is gewoon anders. Eentje lijkt op mij.” Hij begint over het haar van zijn zoons. „Bij de ene kam ik de haren zoals ik dat bij mezelf al mijn hele leven doe en bij de ander niet; die heeft veel ingewikkelder kroeshaar. Zijn moeder weet hoe dat moet, zij heeft dat zelf ook. Iedere keer als hij naar de kapper gaat is het drama omdat de kapper eerst allemaal dingen moet doen voor hij gaat knippen. Ik heb nooit op zo’n manier bij de kapper gezeten.”

Sabrina, die net als Robert twee kinderen heeft, maar dan meisjes van acht en veertien, valt over het woord ‘ingewikkeld’. „Dat is een woord dat ook negatief zou kunnen vallen bij hem. Kroeshaar bij kinderen wordt vaak bestempeld als moeilijk haar, moeilijk, moeilijk. Maar het gaat niet om moeilijk.”

Robert: „O, wacht, nou ja met ‘ingewikkeld’ bedoelde ik, dat bij de oudste de kapper gewoon begint met knippen en na een tijdje is het korter en klaar. Bij de jongste is er eerst een pijnlijk proces van uitkammen voordat het knipproces kan beginnen. Bij mij is de kapper na een kwartiertje klaar. Bij hem duurt het langer terwijl hij huilend in die stoel zit.”

Maar zo kan hij het niet wegredeneren, vindt Sabrina. Kroeshaar als onhandelbaar of moeilijk typeren is problematisch. „Als ik naar mijn eigen situatie kijk; het is altijd een ding. Bij mijn eigen dochters heb ik het hele haarproces heel bewust zo gebracht dat het gewoon liefdevol is, ik heb er geen probleem van gemaakt. Ik wilde ze nooit het gevoel geven dat ze moeilijk of ingewikkeld haar hebben. Het is anders, het is een andere behandeling. Ik denk dat dat er heel erg aan heeft bijgedragen dat ze nu gewoon trots zijn op hun haar. Ik weet dat het bij kinderen diep kan zitten, als je dat zo brengt.”

Ze vermoedt dat dat ook de reden is dat haar kinderen niet heel erg bezig zijn met hun huidskleur of haar. „Ik ben bijvoorbeeld heel lang op zoek geweest naar een zwarte pop voor mijn dochter. Ik heb uiteindelijk een zwarte pop kunnen kopen. Als ze een pop zien waar ze op lijken, doet dat veel met kinderen.”

Of ze zelf een zwarte pop had, weet Sabrina niet meer. Als baby verliet ze met haar ouders Suriname, ze groeide op in Dordrecht. Ze was een buitenbeentje en haar ouders waren niet zozeer met zelfbewustzijn bezig als wel met het zich aanpassen aan de witte buurt. Waren haar ouders wel meer bezig geweest met hun kleur, dan was haar eigen zoektocht wellicht korter geweest denkt ze nu. „Dat ik dan eerder op het punt kon komen van: hé, ik mag blij zijn met mezelf.”

Leedladder

Sabrina draagt prominente Afrikaanse oorhangers in ‘Pump ya fist’-stijl, uit de hiphopscene; Robert heeft een gouden davidster om zijn nek. Voor beiden zijn dat statements. Robert draagt de ketting al vanaf zijn twaalfde. „Ik vond het mooi en wilde iets uitdragen. Als kind dachten ze dat ik lid van de Tros was.” Beiden lachen. Ze herkennen hoe vroeg afkomst bepalend is voor je vorming. In Roberts familie lijkt dat soms gekoppeld aan een soort leedladder, constateert hij. Het is opbieden tegen elkaar over wie het meest heeft meegemaakt, of dat nu binnen de Holocaust is of wanneer je – zoals in Salomons oordeel – het leed van de slavernij afzet tegen dat van de Holocaust.

Sabrina vindt het afzetten van leed tegen leed onzin. „Zo moet je niet praten, het is allebei verschrikkelijk. Mensen zijn onderdrukt, vermoord. Ja, dat is een overeenkomst.” Robert, instemmend: „Het wordt een opbieden: die van ons duurde vierhonderd jaar, die van jullie vijf jaar. Dan kan ik weer zeggen: mijn eigen ouders zijn in de oorlog geboren, voor jou is het langer geleden. Het wordt zo steeds absurder.”

Hij herinnert zich verjaardagfeestjes van vroeger met twee soorten overlevenden van de Holocaust: zij die er nooit over praatten, zoals zijn opa, en de broers van zijn opa die over niets anders praatten. „Binnen dertig seconden gaat het over hun onderduiken ergens in Nederland, of overleven in concentratiekamp Auschwitz. Dat was een belangrijk hiërarchisch verschil. Ik was misschien zes toen ik het kampnummer van de broer van mijn opa zag op zijn onderarm. Ik leerde toen al: als het er op aan komt, staan wij als Joden aan een andere kant dan gewone Nederlanders.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Dat besef zat er bij Sabrina ook vroeg in. „We woonden in een relatief witte wijk, met een Hindoestaans gezin schuin tegenover ons. We vielen op, al was ik er niet zo mee bezig, in ons gezin werd er niet over gesproken. De enige heftige ervaring die ik als tiener meekreeg was dat mijn vader na schooltijd iets van de schuur stond te poetsen. ‘Rot op, teringnikkers’, stond er. Ik vroeg wat het betekende, maar mijn vader schudde zijn hoofd. Ik moest naar binnen gaan.”

Haar ouders wilden, anders dan zij nu doet met haar dochters, niet praten over racisme. Ze waren naar Nederland gekomen voor nieuw geluk, een betere toekomst. „Ze wilden mengen. Dit soort kwetsende ervaringen konden ze niet delen. Als kind wist ik niet hoe ik het gegeven dat ik Zwarte Piet werd genoemd een plek moest geven, of waarom ik altijd als laatste werd gekozen. Het was niet dramatisch, ik heb heftiger verhalen gehoord. Maar het maakte me wel steeds bewust van het feit dat ik anders was.”

Hij: „Van jongs af aan fascineert het me hoe mensen ook op microniveau elkaar gaan indelen. Hoe jij die Hindoestaanse familie nu net kort aanduidt, terwijl ze waarschijnlijk ook uit Suriname kwamen, of hoe Hindoestaanse vrienden van me praten over Creolen. Ik vind dat ingewikkeld. Binnen de Joodse gemeenschap maken ze ook onderscheid – religieuze joden beschouwen zichzelf als joodser. Ikzelf geloof niet in God, kom maar een keer per jaar in een synagoge maar ik ben wel joods. Dat is voor hen niet genoeg.”

‘Met de billen bloot’-song

Bij het ontbijt de volgende ochtend vertelt Robert dat hij jaloers was dat Sabrina haar debuutplaat kon opnemen in Amerika, bij het grote jazzlabel Blue Note. Hij zou graag wonen in de Verenigde Staten, het land van zijn moeder. En het zou zijn droom zijn om daar zijn boek uit te brengen. Onmogelijk, denkt hij. Hoe hij, zoals in Salomons oordeel, als witte man in de helft van het boek het perspectief verwoordt van een zwarte vrouw, zou in Amerika op veel weerstand stuiten.

Hypocriet, vindt Robert. „Deze president mag alle mogelijke racistische en seksistische dingen zeggen en wordt toch gekozen, terwijl aan de andere kant elk verkeerd woordje meteen het einde van een carrière kan betekenen?”

Sabrina: „Dat die plaat in Amerika werd opgenomen was een heel bijzondere ervaring waar ik nog steeds trots op ben. Het bracht wel andere dingen met zich mee.”

Robert: „Wat dan?”

Sabrina: „Als je goed scoort met je debuut ziet het platenlabel graag dat je tweede ook weer zo wordt. Dat is soms lastig. Ze hopen op de herhaling van een succes en staan niet altijd open voor de ontwikkeling die je wilt als artiest. Ik heb juist steeds andere albums willen maken.”

Op elk album wordt Sabrina persoonlijker. Lange tijd durfde ze het kwetsbare liedje ‘Save Me’ niet live te zingen, bang dat ze op het podium in huilen zou uitbarsten. „Het is mijn ‘met de billen bloot’-song. Het gaat over een fase in mijn leven waarin ik compleet vastliep, over mijn pogingen om meer naar buiten te treden.”

Ze zocht naar haar eigen stem en identiteit, legt ze uit. „Ik heb vaak in mijn leven gestruggled met contact maken met mezelf en anderen. En ik liep daarin heel erg vast. ‘Save me’ is een soort cry for help.”

‘Save Me’ van Sabrina Starke.

Robert: „Wordt wat jij zingt automatisch geïnterpreteerd als jouw levensverhaal?”

Sabrina : „Ja. En dat klopt. Ik schrijf echt over mijn eigen ervaringen, hoe ik dingen zie. Ik zeg ook altijd tegen mensen dat als ze me willen leren kennen ze naar mijn lyrics kunnen luisteren. Zelden schrijf ik fictief. Er zit voor mij een soort therapie in. Het is ook wel makkelijk om over jezelf te schrijven.”

„Is het minder waardevol wanneer het niet persoonlijk is?” wil Robert nog weten. Hij probeert in zijn romans nadrukkelijk een verhaal te vertellen dat persoonlijke gevoelens overstijgt: „Het zijn geen dagboeken.” Nee, schudt Sabrina, het is niet minder waardevol, maar een keuze. „Ik zie mijn muziek als een zoektocht. Je hoort erin terug in welke fase van mijn leven ik mij bevind.”

Bij het beeld van de witte vrouw in de tuin nemen we afscheid. Inmiddels weet niemand meer precies wie of wat ze voorstelt, maar dat maakt ook niets uit.

Zondag zingt Sabrina Starke om 15.30 uur op het North Sea Jazz Festival in Ahoy, Rotterdam. Meer info op nortseajazz.com