Hoera, slecht economisch nieuws!

centrale banken Met hun eenzijdige focus op inflatie bezorgen centrale banken de beleggers een feestje. En dat heeft de economie echt niet nodig.

Foto iStock

De tijd dat de prijs van aandelen een logische relatie vertoonde met de stand van de economie en de winstverwachting van bedrijven is alweer een jaar of tien voorbij. Tegenwoordig reageren markten vooral op de (verwachte) besluiten van centrale banken.

Het heeft iets cynisch: beleggers die de laatste weken massaal gokken op verdere versoepeling van het monetaire beleid in zowel de VS als Europa. Van de weeromstuit beoordelen zij goed economisch nieuws (dalende werkloosheid, sterkere banengroei, meevallende economische groei), als slecht nieuws. Immers: als de economie het op eigen kracht kan bolwerken, daalt de kans op een renteverlaging of andersoortige stimuleringsmaatregelen van centrale banken.

Sinds de financiële crisis uitbrak, in de zomer van 2007, hebben centrale banken er alles aan gedaan om de economie erbovenop te helpen en de inflatie weer op het gewenste niveau van 2 procent te brengen. Met die economie zit het nu wel goed: de westerse wereld zit alweer een tijdje in een hoogconjunctuur, hoewel wat zorgen bestaan over de handelsoorlog en de aanstaande Brexit.

Centrale banken zijn er echter nog nauwelijks aan toegekomen hun onconventionele crisismaatregelen terug te draaien. Sterker: de balansen van de Fed (Verenigde Staten) en de ECB (Europa) staan nog vol met staats- en bedrijfsobligaties en de rente nog steeds op ‘standje paniek’ (extreem laag).

Die stimuleringsmaatregelen zorgen voor een permanente, kunstmatige meewind op de financiële markten. Lage rentes betekenen goedkoop geld dat op zoek moet naar beter renderende investeringen, en dat jaagt de aandelenkoersen omhoog.

Vroeger, voor 2008, bewoog de rente mee met de economie. Vertraagde de economie, dan ging de rente omlaag om de groei en de inflatie omhoog te krijgen. Was sprake van hoogconjunctuur, dan schroefde de centrale bank de rente omhoog om de inflatie wat af te remmen. Maar sinds 2008 is er nauwelijks een rentestijging van betekenis geweest.

Centrale banken proberen de inflatie met alle mogelijke middelen tevergeefs op de 2 procent te krijgen. Waarom eigenlijk?

Centrale bankiers kunnen voor een deel ook niet anders. Zowel in de VS als in Europa lukt het maar niet om de inflatie, een van de belangrijkste doelen voor monetair beleid, op het gewenste niveau van 2 procent te krijgen. En zolang dat niet lukt, is verdere stimulering bijna een automatisme.

Dat roept de vraag op of de eenzijdige focus op inflatie nog wel de juiste route is voor centrale banken. Als alles in het werk gesteld moet worden om de inflatie op te pompen, ongeacht of de reële economie daar belang bij heeft, dan is er iets mis.

Over het loslaten van die inflatiedoelstelling spreken centrale bankiers eigenlijk nooit hardop. Zij vrezen dat, als zij aan dit doel tornen, het vertrouwen in het hele instituut centrale bank en dus het monetaire beleid onderuitgaat.

Tegelijkertijd realiseren ook zij zich dat monetair beleid niet de enige beïnvloeder van inflatie is. Globalisering, digitalisering en een flexibele arbeidsmarkt hebben daar ook grote effecten op, zo erkende bijvoorbeeld president Klaas Knot van De Nederlandsche Bank recent in een interview met Corriere della Sera.

Tot een koerswijziging hebben deze inzichten nog niet geleid. Dat geeft te denken: op deze manier helpt het beleid van centrale banken alleen de beleggers en niet de reële economie. Van de financiële markten hoeven de centrale bankiers geen steun te verwachten. De S&P-500 bereikte deze week een nieuw hoogtepunt (boven de 3.000 punten), anticiperend op een renteverlaging later dit jaar van de Fed. Meer meewind graag.