Recensie

Recensie Beeldende kunst

Van Gogh vond zelf ook dat zijn zonnebloemen het beste waren

Tentoonstelling De zonnebloemen van Van Gogh staan voor veel: genialiteit, miskenning en tragiek. Maar zoveel aandacht als er nu voor dit ene werk in het Van Gogh Museum is, roept vragen op.

Zonnebloemen (1889) van Vincent van Gogh
Zonnebloemen (1889) van Vincent van Gogh Uit collectie Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

Van Goghs ‘Zonnebloemen’ uit 1889: deze zomer draait het alleen om dit werk in het Van Gogh Museum. Het doek is onlangs licht gerestaureerd, na een lange studie waarvan de resultaten werden gedeeld tijdens een symposium. Naast deze tentoonstelling verschenen er ook twee publicaties over dit werk. Immers, Van Gogh is een mythische figuur aan wie nog steeds speelfilms worden gewijd en ook zelf vond hij zijn vurig geschilderde zonnebloemen behoren tot zijn beste werken. Daardoor symboliseert het werk veel – avant-garde, genialiteit, tragiek, miskenning.

De muur waar het op hangt, is de schakel in wat een tweeledige gelegenheidstentoonstelling is geworden. Het ene deel gaat over de techniek, verf, restauratie. Het andere deel is een kunsthistorisch overzicht, met bloemstillevens van Van Gogh en impressionisten zoals Jeannin, Pissarro en Fantin Latour. In dit toch bepaald niet onaardige gezelschap valt Van Gogh meteen al op met zelfs een vroeg boeket Judaspenningen. De tinten zijn aards en bescheiden, traditioneel zelfs, maar de vlakken zijn zo sterk dat het al een klein modern meesterwerkje is. Daarna valt Van Gogh voor de zonnebloem die eigenlijk helemaal geen vaasbloem is, maar meer een symbool van landleven en dankbaarheid. Hij had een wonderlijke manier om die dikke bloemen met hun vele zaden te schilderen, zo fors en grillig, te zwaar voor de stelen. Hij portretteerde ze buiten op het land, of uitgebloeid, en uiteindelijk in de vaas zoals in de versie waar de tentoonstelling om draait.

Grillige bloem

Het begon ermee dat Van Gogh in Arles een kunstenaarskolonie wilde stichten, hoewel alleen Gauguin kwam. Voor diens slaapkamer schilderde Van Gogh de zonnebloemen in een vaas – grilliger en eigenzinniger dan bloemen doorgaans zijn. Daarna liep alles mis: ruzie, psychose, oor eraf, Gauguin vertrokken, maar die schreef wel een brief of hij dat schilderij zou kunnen krijgen – dat vonden ze allebei toch wel een erg goed werk. Van Gogh wilde het niet wegdoen en ging er nog een paar versies van maken – die in het museum is nummer twee uit een reeks van vijf.

Het hele tentoonstellingsproject daaromheen is mooi en zorgvuldig gedaan, het levert geen wereldschokkende inzichten op. Zou nu zijn ontdekt dat het doek eigenlijk vals was, of een overgeschilderde Vermeer dan had je een verhaal gehad. De uitslag dat onder meer de kleur wat is verschoten en dat het latje op de achterkant er door Van Gogh zelf op gespijkerd is, is dat niet echt. Zo veel aandacht voor één schilderij, riept de vraag op in hoeverre de kunstgeschiedenis dit nodig had of dat dit vooral een publiciteitsding is.

Lees ook: Nieuw onderzoek naar de ‘Zonnebloemen’: het rood was feller, het geel lichter

Musea doen net als de veilingmarkt aan mythevorming, niet onvergelijkbaar met hoe kerken martelaren eren. Musea zijn kerken waarin je gelooft in de hogere kracht van kunst. Zo’n gevoel van krijg je vooral bij het vijfluik in het Van Gogh Museum: vijf staande videoschermen met filmbeelden van de vijf schilderijen die Van Gogh van dit boeket maakte, telkens met net iets andere kleuren, schaduwen, details. Als een vijfluik – toeval misschien, maar wel de vorm van een altaarstuk – brengt het een plechtige ode. Maar de beelden gaan te snel en zijn te gefragmenteerd om goed te zien. Dan resteert een fetisjisme van verfstrepen, met de goudgele zonnebloemen als een bosje aureolen boven een vaas.