Recensie

Recensie Boeken

Coetzees verhalen zijn van de grootste klasse (●●●●●)

J.M. Coetzee In J.M. Coetzees nieuwe verhalenbundel confronteert Elizabeth Costello de lezer met morele dilemma’s, zoals een kuiken dat wordt versnipperd.

Illustratie Paul van der Steen
    • Nynke van Verschuer

Elizabeth Costello heeft met veel andere romanpersonages van J.M. Coetzee gemeen dat ze ogenschijnlijk een beheerste en rationele vrouw is, op het kille af, maar dat zich onder de oppervlakte onvermoede hartstochten roeren. Bij Costello is dat een onconventionele gevoeligheid voor het leed van dieren, waardoor ze in tranen uitbarst als ze aan een slachthuis denkt en wakker ligt van een kuiken op een lopende band.

Dat laatste doet ze in de nieuwste verhalenbundel van Coetzee, De oude vrouw en de katten, waarin Elizabeth Costello na de gelijknamige roman uit 2003 opnieuw de centrale figuur is. Aan de telefoon met haar zoon vertelt ze over het pas uitgekomen haantje dat ze in een documentaire zag: ‘“Dus dit is het leven!” kon je hem bij zichzelf zien zeggen. “Verwarrend, maar tot nu toe niet al te uitdagend.” Twee handen tilden hem op, scheidden het dons tussen zijn dijen, zetten hem weer op de band. “Veel tests!” zei hij bij zichzelf. “Voor die lijk ik geslaagd.” De band ging verder. Dapper liet hij zich meevoeren en ging de toekomst tegemoet en alles wat die toekomst in petto had.’ De toekomst, de kuikenversnipperaar welteverstaan.

Costello werd door Coetzee in het leven geroepen toen hij in 1997 de Tanner Lectures aan Princeton hield. Die lezing is normaal gesproken een podium voor vooraanstaande filosofen; de auteur Coetzee was er een buitenbeentje. In Princeton droeg hij twee verhalen voor over een schrijfster op leeftijd, Elizabeth Costello, die een gezelschap aan een universiteit toespreekt over mens, dier en de rede.

Inleven in oesters

Filosofen, zo valt de aanklacht van Costello samen te vatten, accepteren maar één opvatting van rationaliteit, namelijk die van elkaar overtroevende argumenten. En dat terwijl morele vraagstukken, hoe wij met dieren omgaan bijvoorbeeld, niet uitsluitend een kwestie van ingenieuze argumenten kunnen zijn, maar ook over inlevingsvermogen gaan. ‘Als ik me kan inleven in het bestaan van een wezen dat nooit heeft bestaan’, zegt Costello tegen haar publiek, duidend op haar romanfiguren, ‘dan kan ik me inleven in het bestaan van een vleermuis of een chimpansee, of een oester, elk wezen waarmee ik het substraat van het leven gemeen heb.’

Waarmee Coetzee met zijn fictie, via Costello, de filosofie in haar hemd zette. Bovendien lokte hij een stroom aan reacties uit van academische filosofen, en zo hadden zijn korte verhalen ook een zeldzaam effect in de échte wereld.

De goede dood

In de verhalen in De oude vrouw en de katten is Costello nog iets ouder geworden. Ze staat op het punt dood te gaan, dat denken haar kinderen tenminste, John en Helen, van wie de een in de VS woont, de ander in Frankrijk, terwijl hun moeder zich met de dorpsgek en een paar zwerfkatten in een oud huis op een Spaanse hoogvlakte heeft teruggetrokken. Ze is ook nog iets excentrieker dan voorheen; haar kinderen kunnen haar gedachtegang steeds minder goed volgen, en terwijl zij hun moeder in een comfortabel verzorgingshuis onder willen brengen, sterft Costello liever alleen onder een schimmelige deken in een vreemd land.

Moral Tales, zo heet de bundel in het Engels. De enige moraal die eruit spreekt is dat de dwaas die op klaarlichte dag met een lantaarn staat te roepen op het marktplein wel eens gelijk zou kunnen hebben. En dat Costello’s zorg voor de zwerfkatten en de ongewassen exhibitionist, en haar slapeloze nachten om het kuiken, niet alleen maar gevolg van haar aftakelende geest is, zoals haar kinderen vrezen. ‘Redelijkheid’ is een feilbaar moreel kompas.

Lees ook de recensie van de laatste roman van J.M. Coetzee: Het is een bijzondere jongen, en dat is het (●●●●●)

Toch kun je de ernstige Engelse titel van de bundel net zo goed lezen als een door Coetzee uitgezet dwaalspoor. Want sinds de Tanner-lezingen liggen er wereldwijd exegeten te wachten om elk woord dat van Coetzees lippen rolt van diepere betekenis te voorzien. Maar Coetzees verhalen, waarvan de meeste al eerder in de New York Review of Books verschenen, zijn ook zonder verdere morele portee van de grootste klasse. Met een minimum aan pennenstreken trekt Coetzee een gelaagde gezinsdynamiek op, vol tegenstrijdige gevoelens. Het alledaagse gekibbel tussen Costello en haar kinderen verraden een peilloos gezamenlijk verleden, waarin geen woord meer onschuldig in de mond genomen kan worden.

Pionnen

In het kielzog van de moraalfilosofen die reageerden op de vroege verhalen over Elizabeth Costello, publiceerde afgelopen maart ook de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis een boek over het werk van Coetzee. Coetzee, een filosofisch leesavontuur spitst zich niet zozeer toe op de uitspraken van Costello, maar is breder van opzet: aan de hand van negen romans van Coetzee gaat Achterhuis in op filosofische en maatschappelijke thema’s. Zo neemt hij het debuut Schemerlanden (1974) als beginpunt om de koloniale schuldvraag te onderzoeken, Coetzees positie afzettend tegen die van Nadine Gordimer en Antjie Krog; In ongenade (1999) is aanleiding om het over #MeToo te hebben, en Mr. Foe en Mrs. Barton (1986) om postmodernisme en Trumps alternatieve feiten te bespreken.

Filosofie gaat over algemeen geldige argumenten, terwijl fictie kan gaan over individuen die koppig zijn of sentimenteel.

Achterhuis kent het werk van Coetzee als maar weinig anderen in het Nederlandse taalgebied, en de verbanden die hij legt tussen Coetzee en Hannah Arendt zijn overtuigend. Toch valt er wel iets af te dingen op zijn opzet. Door Coetzees boeken als vehikel te gebruiken om actuele onderwerpen te bespreken, raakt Achterhuis’ tekst wat losgezongen van de romans. Achterhuis maakt van Coetzees personages pionnen in de wereldgeschiedenis, en daarmee worden Coetzees hoofdpersonen op elke pagina bleker en levenlozer. Daarmee negeert Achterhuis grotendeels wat Coetzee als het gebrek van de filosofie aanmerkte: filosofie gaat over algemeen geldige argumenten, terwijl fictie kan gaan over individuen die koppig zijn of sentimenteel of dement, en wier onvoorspelbaarheid hun hele dierlijke menselijkheid uitmaakt.

Zo wordt Achterhuis’ boek een ambivalent leesavontuur. Hoe informatief ook over de teksten waar Coetzee meer en minder expliciet naar verwijst, voor de lezer die mondjesmaat bekend is met het werk van Coetzee liggen vele plotspoilers op de loer; de lezer die de romans eerder las, blijft verweesd achter.