‘Ik dacht: ik wil die broeken nooit meer zien’

Mode De vaginabroek van Duran Lantink werd vorig jaar wereldberoemd. De modeontwerper werkt bijna uitsluitend met al bestaande kleding.

De beroemde vaginabroek, te zien in het Centraal Museum.
De beroemde vaginabroek, te zien in het Centraal Museum. Foto Robert Oosterbroek/Centraal Museum Utrecht

Oké, toch eerst even over de vaginabroek, de broek die zangeres Janelle Monáe en vier van haar zes danseressen dragen in de vorig jaar uitgekomen clip van ‘Pynk’, en die daarom wereldberoemd is geworden.

„Ik vind het lastig dat het altijd het eerste onderwerp van gesprek is”, zegt modeontwerper Duran Lantink (31). „Ik moest laatst denken aan Anouk, hoe die ook altijd hetzelfde nummer moet zingen. Maar ik vind mezelf ook een beetje een aansteller, want het heeft me veel gebracht.”

Lantink werd pas vijf dagen voordat het filmen van de clip begon benaderd. Monáe had het team dat een eerste ontwerp had gemaakt net ontslagen, en regisseur Emma Westenberg belde hem in paniek op; ze zijn goede vrienden. Lantink: „Ik zei: dat ga ik echt niet doen, ben je gek geworden, vijf dagen! Toen zei Emma: maar dan kom je naar L.A.! Ik had haar lang niet gezien dus dat was misschien toch wel leuk. Het was een hel om de broeken te maken in zo’n korte tijd, ik moest ook eerst opzoeken hoe een vagina er eigenlijk uitziet. Ik weet nog dat ik terug in het vliegtuig zat en dacht: ik wil die broeken nooit meer zien. Maar toen kwam de clip uit en kwam er een soort tsunami op me af. Ik werd helemaal plat gebeld en gemaild.”

Centraal Museum

Voorlopig is Lantink nog niet van de broek af. Een ervan werd aangekocht door het Centraal Museum in Utrecht en staat opgesteld in Lantinks eerste solo-expositie, die dit weekend opent. Straks, na het interview, wordt hij opgehaald door een chauffeur, die hem naar festival Down The Rabbit Hole zal brengen. Monáe treedt er op, in de beroemde broek, en er is iets met de rits. Toen de organisatie hoorde dat hij zou komen, werd meteen een podiumgesprek georganiseerd met hem en Monáe. Onderwerp – juist.

Het grappige is dat de vaginabroek eigenlijk helemaal niet kenmerkend is voor Lantinks werk. Hij werkt bijna uitsluitend met bestaande (designer)kleding, waar hij nieuwe ontwerpen van maakt, op een prettig respectloze manier – zo ziet hij er geen been in een combinatie te maken van herkenbare schoenen van Miu Miu én Balenciaga. Dat levert vrolijke nieuwe ontwerpen op, al ziet hij het zelf niet zo. „Ik werk met dingen die al van nature mooi zijn, en die voeg ik samen. Ik doe er niet per se een eigen plasje over.”

Ook die kant van zijn werk is bepaald niet onopgemerkt gebleven; de collectie die hij begin dit jaar maakte met onverkochte kleding van het Britse warenhuis Liberty London leverde hem een nominatie op voor de prestigieuze LVMH-prijs (de finale haalde hij niet).

Zijn manier van werken past bij deze tijd, waarin de roep om duurzaamheid steeds groter wordt, al heeft hij zelf moeite met dat begrip. „Ik vind sustainability een beetje een vies woord geworden. Op festivals heb je nu sustainable merchandise. Maar hoe duurzaam kan merchandise zijn? Die T-shirts zijn van biologische katoen, maar van de allerslechtste kwaliteit. Ik ben al zo begonnen voordat mensen bezig waren met duurzaamheid. Ik besefte pas veel later dat wat ik deed upcycling heet.”

Hij heeft het, zegt hij, „altijd gewoon zonde” gevonden dat er zoveel kledingstukken overbleven. „Het is niet nodig om nieuwe stoffen te kopen. Ik vind het ook niet meer van nu, zelf iets nieuws ontwerpen. Alles is al zo lang een kopie van een kopie van een kopie.”

Mijn vader was vast niet zo blij geweest met dat ik een gay modeontwerper ben geworden

Duran Lantink

Wat vinden de ontwerpers wiens werk hij gebruikt van zijn aanpak?

„Bij de LVMH-prijs heb ik Humberto Leon van Kenzo en J.W. Anderson ontmoet, die vonden het heel goed wat ik doe. Clare Waight Keller [ex-Chloé, nu hoofdontwerper van Givenchy, red.] glimlachte maar zei wel: ‘Ik hoop niet dat je er Chloé tussen hebt zitten.’” Komend najaar gaat hij voor een modemerk van LVMH een collectie maken – welk, dat mag hij nog niet zeggen.

Vernoemd naar een bokser

Zijn voornaam kreeg hij van zijn Arubaanse vader, die hem noemde naar bokser Roberto Durán. „Hij was vast niet zo blij geweest met dat ik een gay modeontwerper ben geworden”, zegt Lantink, die geen herinneringen aan hem heeft – hij was nog maar een baby toen zijn vader overleed. Het was zijn stiefvader die de inspiratie was voor zijn eerste upcycled ontwerp. „Als er iemand kleding verspilt, dan was hij het wel vroeger. Zúlke stapels Diesel-spijkerbroeken lagen klaar om weggegooid te worden.” Hij knipte de banden eraf en liet van het Schots geruite tafelkleed van zijn grootmoeder er een rokje onder zetten. Toen dat op was gebruikte hij een andere stof, want hij wist 35 rokjes te verkopen aan een boetiek in Scheveningen.

Hij studeerde af aan de modeafdeling van de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam met een collectie die hij had gemaakt van stukken van Alexanders van Slobbes merk Orson + Bodil, die hij in een kringloopwinkel had gevonden. Na zijn afstuderen deed hij projecten met overgebleven kleding van een aantal Nederlandse designerwinkels.

Mode van Duran Lantink, te zien in het Centraal Museum. Foto Bon Duke

Lantink ontwerpt door foto’s van de kledingstukken te bewerken. Specialisten zetten de stukken in elkaar. „Ik zette vroeger weleens zelf de schaar ergens in, maar dan werden de mensen in mijn atelier hysterisch omdat ik net twee centimeter te veel van een Chaneljasje afknipte of zo.” De meest logische volgende stap, zegt hij, is de ontwerpen niet meer uit te laten voeren, maar alleen digitaal te laten bestaan. „Dan zou een influencer me moeten betalen om zo’n ontwerp over zichzelf te plaatsen op een foto. Mode gaat tegenwoordig toch eigenlijk alleen maar om fotomomenten.”

Dit najaar begint Lantink een jaar durende samenwerking met (online)winkel Browns en met Farfetch – de laatste is een platform waarop gewone modewinkels online hun spullen aanbieden. Van Browns krijgt hij kleding die over is of die niet meer kan worden verkocht omdat er bijvoorbeeld een klein vlekje op zit. Browns koopt de nieuwe ontwerpen weer van hem aan. Bij de winkels die zijn aangesloten bij Farfetch liggen zijn spullen in consignatie – hij wordt alleen betaald als ze worden verkocht. „Iedereen zegt dat dat een slechte deal is, maar dan krijg ik de kleding tenminste terug als het niet wordt verkocht en kan ik er iets nieuws van maken. Mijn kleding kan natuurlijk niet in de uitverkoop, omdat uitverkoop en overproductie juist dingen zijn waartegen ik me verzet.”

Ook voor het Centraal Museum maakt hij speciale stukken. Zijn eigen voorstel, al kreeg hij niet de beschadigde of anderszins overtollige depotstukken waarop hij hoopte, maar kleding die werd afgekeurd voor de museumcollectie. „Daar raakte ik wel een beetje van in paniek, omdat ik normaal werk met mooie dingen. Gelukkig heb ik van een paar Nederlandse ontwerpers dozen met heel goede stukken gekregen.”

Transseksuele prostituees

Een van de vier zalen die hij tot zijn beschikking heeft, is gewijd aan een doorlopend project dat hij doet met fotograaf Jan Hoek: Sistaaz of the Castle, dat draait om een groep transseksuele prostituees uit Kaapstad.

In Kaapstad organiseerden Lantink en Hoek een workshop kleding maken, met kringloopkleding die ze ter plekke vonden. Zes vrouwen werden verkozen om hun droomleven te verbeelden voor een fotoshoot. Terug in Amsterdam werkte Lantink verder aan een collectie, die in 2016 werd geshowd tijdens de Amsterdam Fashion Week. Niet met de oorspronkelijke modellen, want, zegt Lantink: „Je haalt ze voor twee dagen hier naartoe, je laat ze in een hotel slapen en dan stuur je ze weer terug – ze leven onder een brug. Dat is niet eerlijk.” Wel deelt de groep mee in alle inkomsten die het project genereert, zoals ook het boek dat tegelijk met de expositie verschijnt. In Utrecht is de aan de Sistaaz gewijde zaal ingericht met karton, een materiaal waaruit hun onderkomens vaak zijn opgetrokken, en wordt een tent van een van hen, Legi, zo goed mogelijk nagebouwd – met toestemming van de bewoonster zegt Lantink. „Ze heeft hem heel mooi gedecoreerd. Het is eigenlijk een soort kunstwerk, al mag je dat niet zeggen omdat ze er noodgedwongen in leeft.”

Beeld van Sistaaz of the Castle, dat draait om een groep transseksuele prostituees uit Kaapstad.Foto Jan Hoek

Van alle dingen die hij heeft gedaan, is Sistaaz of the Castle hem het dierbaarst. „Omdat we hen een stem hebben kunnen geven”, zegt hij. „Het is voor iedereen belangrijk gehoord te worden, maar voor hen helemaal, omdat er altijd alleen maar negatief over ze werd gesproken. Terwijl het heel bijzondere en leuke mensen zijn.”

Duran Lantink: Old Stock, 13/7 tot en met 27/10, Centraal Musuem, Utrecht. Foto’s van Sistaaz of the Castle zijn van 14/7 tot en met 1/9 te zien bij het Tassenmuseum, Amsterdam.