Foto Annabel Oosteweeghel

‘Het erge is dat ik ze niet meer ruik, niet meer voel’

Interview Peter van der Meer bracht zijn drie dochters op 16 juli 2014 naar zijn ex, ze gingen op vakantie. De dag erna ontving hij een pushbericht over hun vlucht.

De vlaggen hangen uit, de schooltassen erbij, de uitslagen van de eindexamens zijn bekend, veel jongens en meisjes in Bussum en Naarden zijn geslaagd. „Dit zijn moeilijke dagen voor mij”, zegt Peter van der Meer. „Mijn oudste dochter Sophie zou dit jaar eindexamen hebben gedaan – net als haar vriendinnen. Die zijn nu zeventien en achttien jaar. Dat zijn grote meisjes, met wie je verstandige gesprekken kunt voeren. Dat heb ik allemaal niet.”

We staan in Valkeveen bij Naarden, aan het graf van zijn drie dochters, omgekomen bij de vliegramp met MH17.

Peter: „Ik kom hier niet zo vaak. Alleen de dagen voor de verjaardagen van de kinderen, om het graf te verzorgen. En op de verjaardagen zelf.” Zijn vriendin Florence is er regelmatig. „Ze heeft groene vingers. Zij doet veel.”

Op het graf staat een plaquette met foto’s van Sophie (12), Fleur (10) en Bente (7). Het is beplant met een vlinderboom en geraniums, en omrand met hockeyballen. „Ze waren alle drie met hockey bezig.” Rechts van het graf ligt hun moeder, Ingrid Meijer, de vrouw van wie Peter van der Meer een jaar voor de vliegramp was gescheiden. Links staat een bankje dat ooit zal wijken voor hemzelf. „Die plaats heb ik gereserveerd. De ouders van Ingrid wilden dat ze naast haar kinderen zou worden begraven. Ik dacht: nou, dan ga ik aan de andere kant liggen.”

Peter van der Meer, vader van drie omgekomen dochters: “Ik herinner me nog precies de waanzin van die dag” Foto Annabel Oosteweeghel

Peter (51) woont in Bussum samen met zijn vriendin Florence (49) en met Luuk (16), haar zoon van de man van wie ze veertien jaar geleden scheidde, en die vier jaar geleden overleed.

Peter: „Ik heb een goed contact met Luuk. We doen dingen samen en we hebben mannenhumor. Ik bemoei me alleen zo min mogelijk met zijn opvoeding. Als hij naar bed moet, zegt zijn moeder dat. In het begin wilde ik me daar wel mee bemoeien, maar het is toch beter om dat niet te doen.”

Het gaat nu goed. Als Peter Florence niet had gehad, vertelt hij in de verbouwde woning met uitzicht op groen, dan was hij na het ongeluk misschien lamlendig op de bank blijven liggen. „Ze heeft me in beweging gehouden. We zijn na het ongeluk als verliefd stel verder gegaan. Al na een jaar zijn we gaan samenwonen. De structuur in mijn leven heb ik aan haar te danken.” Ze leerden elkaar enkele maanden voor de MH17-ramp kennen, vertellen ze bij een glas wijn.

Florence: „We hebben elkaar in maart 2014 ontmoet. Ik heb hem toen een paar maanden in de koelkast gezet.”

Peter: „Hahaha!”

Florence: „Ik was druk. Ik had geen zin in een vriend. Hij riep in de kroeg dat hij zijn scheiding allang had verwerkt. Terwijl hij een week eerder de laatste dozen had uitgepakt in zijn nieuwe huis. Ik had zelf wel wat langer gedaan over het verwerken, of liever gezegd verweven, van mijn scheiding. Dus ik dacht: laat maar even gaan, die man. Maar ja, hij was heel lief.”

Peter: „Ik heb erg mijn best gedaan.”

Florence: „Op een gegeven moment appte hij me dat hij zo leuk met andere vrouwen aan het daten was. Dat voelde niet goed.”

Peter: „Ik heb toen wat druk gezet, zeg maar.”

Florence: „Toen heb ik voorgesteld samen voetbal te kijken in de kroeg. Dat hebben we gedaan. Nederland-Australië, tijdens het WK.”

Peter: „Dat was het begin.”

Florence: „Het ongeluk gebeurde vier weken en een dag later.”

Het ongeluk, zoals ze de vliegramp steevast noemen, was niet alleen voor Peter maar ook voor Florence het begin van een omwenteling.

Florence: „Ik heb weleens de neiging gehad hard weg te lopen.”

Peter: „Toen het gebeurde, heb ik haar gevraagd of ze naar Schiphol wilde komen.”

Florence: „We zouden dat weekend weggaan. Naar Zeeland. Toen belde jij. Het drong niet goed door. Het eerste wat ik dacht was: dan gaan we pas morgen naar Zeeland. Dat dacht ik. Ik dacht echt dat we nog zouden gaan.”

Peter: „Het drong niet tot je door.”

Florence: „Ik twijfelde of ik naar Schiphol moest komen. Ik had eens een vriend, een jaar lang. Hij was tegen een paal gereden en heeft bij mij gerevalideerd toen we elkaar twee maanden kenden, en later heb ik vijf dagen bij zijn stervende moeder gewaakt. Die relatie was ook niet goed gegaan. Ik had dus een déjà vu. Ik dacht: o nee. Maar ik vond deze man wel echt leuk. Ik wilde hem niet kwijt.”

Mensen vroegen of ik een glaasje water wilde en ik wilde gaan zitten. Ik wilde niet gaan zitten. Ik heb daar staan huilen en schreeuwen

Peter: „Ik kwam om zes uur aan op Schiphol. Een half uur later was Florence er. Later kwam mijn familie. Die kende haar niet. Ik heb toen gezegd dat zij sinds een maand mijn vriendinnetje was. Die avond ben ik naar huis gereden en Florence ging met me mee. Dat was best gek. We kenden elkaar niet lang. We waren verliefd, een beginnend stelletje. Dat hebben we ook met elkaar besproken. Na een paar dagen hebben we tegen elkaar gezegd: het is allemaal heel heftig, maar we gaan ook genieten omdat we zo gek op elkaar zijn.

De ochtend na het ongeluk kwam om tien uur de voorzitter van de hockeyclub binnen. Die kende Florence van de hotelschool. Wat doe jij hier, riep hij uit.”

Florence: „Ja, dat vroeg ik me ook af. Ik kende helemaal niemand van zijn vrienden.”

Peter: „Ze was drie keer bij me geweest, en iedereen vroeg haar ineens waar alles in huis stond, zoals de koffiekopjes. Het was een bizarre tijd. Vanaf de dag na het ongeluk is hier de deur open gegaan en is het vier weken volle bak geweest. Ik heb iedereen toegelaten. Ook veel kinderen. Eerst schoorvoetend. Je doet wat je denkt dat goed is. Ik wilde mensen om me heen hebben. De jongens van mijn jaarclub en mijn familie waren er dagelijks. Mijn oude buren. Ik had veel rust omdat Florence bij me was.”

Pushbericht

Op donderdagmiddag 17 juli 2014 reed Peter op de snelweg, onderweg naar zijn huis in Bussum vanaf zijn eigen bedrijf in Drachten, een groothandel in artikelen voor digitale televisie.

Peter: „Ik las tijdens het rijden op mijn telefoon een pushbericht van de NOS-app. Niet zo handig, maar oké. Nog tijdens het rijden heb ik gekeken naar het vluchtnummer en de vertrektijd. Ik dacht: dat kan niet missen. Ik ben bij een benzinestation gestopt. Daar heb ik geschreeuwd en gehuild. Ik rijd er nog steeds weleens langs en denk: wat een rare plek, iedereen staat er gewoon te tanken. Ik wilde meteen naar Schiphol. Er ging van alles door me heen. Ik heb onderweg allerlei mensen gebeld.”

Florence: „Je ouders. Rob. Mij.”

Peter: „Ik belde mijn overbuurman Rob. Hij werkt bij de KLM. Die kon misschien iets voor me doen.”

Florence: „Je hebt heel hard gereden.”

Heeft hij aan die dag een trauma overhouden? „Nee. Het is niet zo dat ik steeds enorm schrik als ik een pushbericht op mijn telefoon krijg of zo. Maar ik herinner me nog heel precies de waanzin van die dag. De aankomst op Schiphol. Ik liep naar een balie waar twee dames aan het lachen waren. Ik was een van de eerste nabestaanden. Mensen vroegen of ik een glaasje water wilde en of ik wilde gaan zitten. Ik wilde niet gaan zitten. Ik heb daar staan huilen en schreeuwen. En toen kwam jij.”

Florence: „Ja. En na drie kwartier kwamen je ouders en je broer. Er liep een heel jong meisje van de gemeente als crisismanager. En mensen met gele hesjes.”

Peter: „Wij wilden de televisie aan. Op een van de eerste beelden werd het paspoort van Sophie getoond. Ik heb het nooit meer teruggekregen. Heb er wel twintig keer om gevraagd. Niemand weet waar het is.” Daarna werden de nabestaanden naar een hotel gebracht.

Florence: „Daar heeft de directeur van Malaysia Airlines Europa nog ‘sorry’ gezegd. Pffff.”

Peter: „Die man was niet klaar voor deze rol. Hij wist niet wat hem overkwam. We moesten formuliertjes invullen. Er gebeurde niks. Op een gegeven moment zijn we weggegaan.”

Florence: „We zijn er tot half twaalf geweest.”

Peter: „De volgende ochtend belde Malaysia Airlines om het bericht te bevestigen dat mijn dochters en Ingrid op de passagierslijst stonden. Heel raar, zakelijk.”

Florence: „Vervolgens duurde het nog drie dagen voordat we iets hoorden.”

Peter: „We hebben heel veel mensen geprobeerd te bellen. Maar we kregen geen contact. Er was geen noodnummer of zo. Het enige wat je hoorde, was wat je op televisie zag.”

Florence: „Toen kregen we familierechercheurs.”

Peter: „Na drie dagen.”

In hun ruime huis aan de rand van Bussum hebben Peter en Florence een kamer ingericht met herinneringen aan de meisjes. Honderdtien dozen heeft Peter weggehaald uit het huis waar hij met zijn ex-vrouw en hun drie kinderen woonde, en van waaruit zij op 17 juli waren vertrokken. Knuffels, boekjes, schoenen, kleren, drie elektrische tandenborstels, schooltekeningen. Herinneringen van hun vriendinnen – tekeningen en berichtjes. ‘Ik vind het erg jammer dat je er niet meer bent’. Een deel van de wand wordt in beslag genomen door grote, afzonderlijke portretten van de drie, genomen tijdens een reis naar Frankrijk, een jaar voor de ramp. „Gewoon met m’n telefoon.” Ze staan voor de Dôme des Invalides in Parijs. Stoer. Mooi. Een tikje ongeduldig. Korte spijkerbroekjes, lange haren in een staart, gympies. „Ze wilden poseren, dat was al heel wat.” In de kamer staat ook een bureau en een computer. Hij werkt er regelmatig. „Ik kom hier graag.” Een enorm raam geeft uitzicht op een weiland met schapen.

Kledingstukken

De kamer heeft een therapeutische functie – de aanwezigheid van al die herinneringen moet Peter helpen de pijn van het gemis te voelen. „Ik heb een psycholoog met wie ik daarover praat. De therapie is lichaamsgericht. Dat betekent niet dat we aan elkaar zitten te frunniken ofzo. Ik neem bijvoorbeeld een kussen mee, gemaakt van kledingstukken van de kinderen, en hou dat vast. Dat is soms heel emotioneel. Zo probeer ik de kinderen naar me toe te trekken. Ik moet de pijn voelen, het gemis. Dat is wat ik meer moet doen, want op een gegeven moment is het alleen nog maar een foto of een kledingstuk. Je hoort hun stemmetjes niet meer. Het vaderkindcontact is weg. Het knuffelen. Niet meer met ze kunnen praten. Dat is heel pijnlijk.”

Hij struint nog steeds te weinig door de spullen, vindt hij. „Als ik mijn dochters toelaat, als ik bijvoorbeeld een knuffeltje van ze pak en eraan ruik, dan kan het emotioneel worden. Een paar jaar geleden deed ik dat niet. Ik wilde de pijn niet voelen. Nu laat ik het vaker toe. Ik wil in de toekomst meer naar foto’s en video’s gaan kijken. Ik wil ook vaker praten met mensen die mijn dochters hebben gekend. Ik kom vaak bij Rob en Marian, dat waren vroeger onze overburen, ze hebben ook drie meisjes, van ongeveer dezelfde leeftijd. Het klikt goed met die dochters. Hun oudste zei laatst: je bent m’n tweede vader. Daar word ik dan wel emotioneel van. Het is fijn om daar te zijn.”

Er gaat geen uur voorbij dat Peter niet aan zijn dochters denkt. „Door het verlies van de kinderen was mijn leven weg. De dingen die je sociale leven bepalen, zijn weg. Ze hockeyden alle drie. Ik was coach. Ook alles wat met school te maken heeft, dat heb je ineens niet meer. Niet dat ik zo graag elke dag de kinderen naar allerlei clubjes wil brengen, maar toch is het gek dat ik niet had wat andere ouders allemaal deden: hun kind na de vakantie weer naar school brengen. Je ziet kinderen spelen en fietsen. Daar had ik wel moeite mee.”

Het graf van Sophie, Fleur en Bente Foto Annabel Oosteweeghel

Florence: „Nog steeds. Twee weken geleden heb je nog een traantje gelaten, toen je de vriendinnen van Sophie in het zonnetje zag zitten, klaar met hun eindexamen, koffie drinkend en hangend in het centrum.”

Peter: „Ja. Een jaar of drie geleden kwam ik op een vrijdagmiddag uit m’n werk. Ik rij het dorp binnen en stop omdat een groep kinderen ging oversteken. Dat waren de klasgenootjes van mijn middelste dochter Fleur. Ik besefte toen dat ze een kamp hadden gehad. Ik kwam thuis en was van slag.”

Een nichtje van hem, een jaar ouder dan Sophie, is afgelopen jaar gaan studeren in Groningen.

Peter: „Hoe leuk is dat. Voor haar achttiende verjaardag heb ik haar met een cabrio opgehaald en hebben we een rit naar Groningen gemaakt. Daar hebben we gefietst. Dat was superleuk. Maar ik vond het ook moeilijk. Mooi en pijnlijk. Sophie zou nu ook met een studie zijn begonnen. Ze zou op kamers zijn gegaan. Dat is een van de mooiste perioden in je leven, althans dat was het voor mij. Dat had ik m’n dochters zo graag gegund. En opa worden, dat gaat niet meer gebeuren. Vaderdag? Wat een gezeik is dat, joh.”

Florence: „In het begin na het ongeluk ben jij op woensdagmiddag die kinderen gaan trainen. Weet je dat nog? Dat heb je nog een half jaar gedaan. Je was bang dat je anders geen kinderen meer zag.”

Peter: „Bepaalde stadia van het leven van je kinderen ga je niet meer meemaken. Kerst en Sinterklaas zijn lastig. Als we bij mijn ouders zijn, proberen we er het beste van te maken. We willen elkaar wel blijven zien.”

Hij huilt, licht. „Tja onvermijdelijk dit hè.”

Florence: „Iedereen heeft dan dat verdriet. Iedereen mist op dat moment die meisjes.”

Peter: „Het zijn moeilijke dagen. Je mist ze dan extra. Het zijn de mensen van wie je het meeste hebt gehouden. Mijn ouders zitten vol verdriet. Vooral mijn vader heeft het er erg moeilijk mee.”

Nog even gezwaaid

We zitten in de woonkamer van hun huis. Zoon Luuk maakt in de keuken wat eten voor zichzelf, hij moet zo werken, als pizzabezorger. Peter vertelt dat hij nooit echt afscheid van zijn dochters heeft kunnen nemen. „Wat ik erg vind, is dat ik ze niet meer ruik. Ik voel ze niet meer. Het is heel abrupt geweest. Je kunt ze niet meer aanraken. Je ziet ze niet meer. Ze zijn in een keer weg. Het is ongrijpbaar. Ze zouden drie weken op vakantie gaan. Tot gauw, zeg je tegen elkaar. De dag voor 17 juli bracht ik hen naar Ingrid. Het was een van de eerste keren dat ik niet mee op vakantie ging. Dat was emotioneel. Het was heftig. Iedereen was verdrietig. Ik ben later nog teruggegaan om een crèmepje van Fleur te brengen. Toen zaten ze in de televisiehoek. Ik heb nog even gezwaaid.”

De week voor het ongeluk hadden de kinderen onverwacht veel contact met andere familieleden gehad. Peter: „De familie kende de kinderen eigenlijk alleen van feestjes, en van Sinterklaas en Kerst. Maar toevallig hebben we elkaar voor 17 juli vaak gezien. Ik ben in het weekeinde voor MH17 met de kinderen een paar dagen gaan zeilen. Mijn broer was toen ook op het water met zijn gezin. En toen we ’s avonds in Langweer ergens gingen eten, kwamen mijn jongste broertjes ook langs. We hebben lol met elkaar gehad. We kwamen niet vaak spontaan bij elkaar. Daarna zijn de meisjes nog twee dagen bij m’n ouders geweest. Daar waren mijn nichtjes en mijn neefje bij. Ze zijn naar de dierentuin in Emmen geweest. Ze hebben nog een verkleedfilm gemaakt. Vrij bijzonder dat zulke dingen op het einde nog zijn gebeurd. Dat heeft zo moeten zijn, denk ik.”

Hij heeft zijn dochters kunnen zien toen hun lichamen naar Nederland kwamen. „Ze waren nog redelijk intact, gelukkig. Ik heb het heel mooi maar ook moeilijk gevonden. Het was een beladen dag.”

Florence: „We waren met z’n zessen. We hebben ook de kisten naar buiten gedragen.”

Peter: „Ik heb samen met m’n moeder gekeken. De anderen bleven achter het gordijntje. Ik ben begonnen met de jongste. Die zag er nog het mooiste uit. Ik heb ze niet aangeraakt. Het was 20 augustus. Vijf dagen later was de begrafenis. De trouwdatum van Ingrid en mij, veertien jaar eerder. Bizar, en ook wel mooi.”

Een klein jaar geleden, vertelt Peter aan de eettafel, kreeg hij een inzinking. „Het ging niet meer. Ik was leeg.”

Florence: „In de aanloop naar 17 juli voel je dat het weer gaat drukken. We zijn altijd blij als die datum weer voorbij is. Ik merkte vorig jaar dat hij geen energie meer had. Dingen niet meer kon overzien. Hij is een sportieve vent maar had ineens blessures en geen zin meer om te sporten.”

Peter: „Ik voetbal en hockey en vind hardlopen ook lekker. Maar ik heb in november en december vorig jaar alleen maar geslapen. Het leek op een burn-out. Ik was doodop. En somber. Ik heb nooit veel gehad met jaargetijden, maar toen dacht ik: van mij mag het lente worden.”

Florence: „Jij wilde je verjaardag niet vieren. Dat is niks voor jou.”

Peter: „Nee, dat is niks voor mij.”

Florence: „Het had ook z’n weerslag op ons.”

Peter: „Ze zei dat ik hulp moest gaan zoeken.”

Florence: „Na vier maanden was ik er wel een beetje klaar mee.”

Peter: „Het draaide meestal alleen om mij. Dat is niet leuk, als je samen bent. Maar ze zit hier nog.”

Florence: „Ik zei na vier maanden: je moet wat gaan doen, anders ga ik weg. Dat is de korte versie.”

Peter: „Ja, dat heb je zo gezegd. Ik heb dat toen gedaan. Er moest een knop worden omgezet. En het gaat aanmerkelijk beter met me. Ik werk nu weer drie dagen per week, soms vier.”

Florence: „Een dip is misschien onvermijdelijk. Je moet door een dal. Maar je staat momenteel heel stevig.”

Peter: „Vijf jaar geleden kwamen psychologen mijn leven niet binnen. Ik was daar te nuchter voor. Maar ik ben met twee psychologen gestart. Met de ene ben ik over mijn kinderen gaan praten. Met die andere over mijn scheiding. Dat vond ik geweldig. Ik was ten tijde van het ongeluk nog maar een jaar gescheiden. We woonden pas een half jaar apart. Ik was boos. Ik wilde niet scheiden. Ik ben jarenlang gek op Ingrid geweest. We hadden een hartstikke leuk gezinsleven. Ik heb weleens gezegd: de scheiding vond ik nog erger dan het ongeluk. Na de scheiding waren de kinderen om de week niet bij mij. Dat waren verschrikkelijke weken. Dan sliep ik vrijwel niet. Ik had een goede band met ze. In het laatste jaar was ik klassenvader op de school van Fleur, de middelste. Samen met m’n overbuurman. Wij waren de eerste klassenvaders op school. Het was een dreun.

Opa worden, dat gaat niet meer gebeuren. Vaderdag? Wat een gezeik is dat, joh

Een jaar voor het ongeluk hebben we de kinderen verteld dat we gingen scheiden. Ik begon in de zomer van het ongeluk net m’n leven weer wat op orde te krijgen. De kinderen leerden ermee te leven. Vervolgens ben ik knock-out geslagen, zou je kunnen zeggen.”

Hij kan inmiddels met iets meer afstand over de scheiding denken. „Door die gesprekken met de psycholoog ben ik rustiger geworden. Wat ik bijvoorbeeld gek vond, is dat ik geen enkel verdriet over de dood van mijn ex-vrouw heb gevoeld. Haar dood deed me niks. Terwijl ik haar al vanaf 1990 kende. Maar het vliegtuig stortte neer en ik was mijn drie dochters kwijt. Mijn vrouw was ik al kwijt en ik voelde geen verdriet over haar. Daar voelde ik me schuldig over. Daar heb ik met de psycholoog over gepraat.”

Florence: „Kort na het ongeluk was je boos omdat je haar verweet dat doordat zij wilde scheiden, jij je kinderen kwijt was. Wil je daar iets over zeggen?”

Peter: „Ik verwijt haar niet dat ze in dat vliegtuig is gestapt.”

Florence: „Als ze niet gescheiden waren, hadden ze met z’n allen in dat vliegtuig gezeten. Of niet. Maar nu moet hij verder als vader zonder z’n kids.”

Peter: „Daar zat tot voor kort zeker een stuk frustratie. Die boosheid ben ik kwijt.”

Sophie’s vriendinnetje

Peter gaat nu anders om met zijn verdriet. „Ik ben op zoek gegaan naar wat ze geloof ik verwerken noemen.”

Florence: „Noem het verweven. Dat is een mooier woord. Je probeert je verdriet te verweven in je leven. Het mag bij je blijven.”

Lees ook: MH17, de leegte blijft

Peter: „Vorig jaar had ik het idee dat ik geen tijd voor hen kon maken. Ze vervaagden. Ik was ze even helemaal kwijt. Dat voelde niet goed. Ik ben de pijn meer gaan toelaten.”

Florence: „Door die pijn heb je de kinderen dichterbij.”

Peter: „Een vriendinnetje van Sophie kwam hier en begon door boekjes over hen te bladeren. Dat had ik zelf nog nooit gedaan. Dat vind ik mooi. Zo gaan de kinderen weer leven.”

De vraag is of je na zo’n immens verlies nog kunt genieten van het leven. Peter: „Ik heb weleens gezegd dat mijn leven is verwoest. Dat is ook zo. Maar ik heb het toch weer naar m’n zin. Met Florence. Ik heb het leven altijd leuk gevonden. De neiging om uit het leven te stappen heb ik nooit gehad. Misschien ben ik er wel te bang voor. Feestjes vind ik soms lastig. De vader van de drie dochters die bij ons om de hoek woonde, werd vijftig en gaf een feestje. Er waren ook veel kinderen. Dat vond ik een moeilijke avond. In je achterhoofd zit de gedachte: dat heb ik niet meer. Toch kan ik wel genieten. Lekker rammen tijdens een hockeytraining. Voetballen en daarna een potje bier drinken. Twee weken geleden ben ik met Florence naar Concert at Sea geweest, in Zeeland. Daar had ik wel zin in. We zijn er bijna geen bekenden tegengekomen. Dat is ook weleens fijn. Het was drie dagen lekker luisteren. Ik heb vrijwel niet aan nare dingen gedacht.”