Reportage

Geitenpaden voor de nieuwe heroïek

Eerste bergetappe Gravelstroken in etappes moeten het lijden vergroten. Bepaald niet tot genoegen van de renners.

Super Planche des Belles Filles: de renners lijden, de toeschouwers genieten.
Super Planche des Belles Filles: de renners lijden, de toeschouwers genieten. Foto’s Joris Knapen

Ze hebben de klim voor de gelegenheid omgedoopt tot ‘Super Planche des Belles Filles’, de overtreffende trap van wat al een heel gemene Vogezencol is – niet lang, wel steil, vooral naar het einde toe, als het wegdek met 20 procent zowat achterover leunt.

Toen Fabio Aru twee jaar geleden zijn aanval plaatste op weg naar de ritzege, slingerden de slijmslierten uit zijn mond, zo veel pijn deed dat laatste rechte eind. Maar de toeschouwers reageerden enthousiast. Zelden zagen ze een renner van zo dichtbij zo lijden. De verschillen liepen in de minuten. En toch was het Tourorganisatie ASO niet genoeg. Het moest dit jaar nog gekker.

Christian Prudhomme stond te glimmen in het Parijse Palais des Congrès toen bij de presentatie op een groot scherm de zesde etappe werd getoond. De Tourbaas en zijn manschappen hadden een manier gevonden om van La Planche een onnoemlijk lastige horde te maken, een kijkcijferkanon. Er zou een weg worden aangelegd tegen een skipiste op, met een stijgingspercentage van liefst 24 procent in de laatste honderden meters, als de heren renners al op hun tandvlees naar boven fietsen, na 160 kilometer over wegen die nooit afvlakken.

Maar dat was nog niet alles. Prudhomme gebruikte een modewoord in de hedendaagse wieler-pr: gravel. De laatste kilometer zou ook nog eens onverhard zijn. Fans smullen ervan, net als fotografen, die door hun lens de felgekleurde wielertenues zien afsteken tegen het opdwarrelende stof. Het maakt de heroïek nog heldhaftiger, en het doet denken aan de beginjaren van de sport, toen mannen in wollen truien en reservebanden om hun schouders over onverharde wegen naar boven fietsten.

Geitenpaden de nieuwe trend

Geitenpaden met gemalen kiezelstenen zijn een trend aan het worden in het wielrennen sinds de Italiaanse eendagskoers Strade Bianchi aan populariteit heeft gewonnen. Aan de finish in Sienna lijken coureurs op mijnwerkers, het gelaat bedekt met een laag plamuur. Het duurde niet lang voordat de organisatie van een grote ronde het lang vervlogen concept opnieuw introduceerde.

Vorig jaar was de onverharde Colle delle Finestre het klapstuk van de Giro, toen Chris Froome erop tekeerging en een solo van tachtig kilometer uit zijn tengere lichaam perste. De Tour sloeg twee maanden later een modderfiguur met het stukkie onverhard over het Plateau des Glières, waar het hoogtepunt de lekke band van diezelfde Froome was. Daar werd geen toeschouwer warm of koud van.

De Tour worstelt met zichzelf de laatste jaren, dat is bekend. Kijkcijfers kelderen, overal in Europa. In de eerste zes dagen van de Tour van vorig jaar keken in het Verenigd Koninkrijk de helft minder mensen dan de jaren daarvoor, het land dat note bene al jaren de gele trui aflevert, met Froome en Geraint Thomas. Zelfs in Frankrijk keken vorig jaar een half miljoen minder mensen naar de wielerwedstrijd die in meer dan honderd jaar bij de cultuur van het land is gaan horen.

Lees ook: Alles voor de sponsoren: vijf uur op kop om vlak voor de finish ingerekend te worden

De ASO moet gedacht hebben de tv-kijker in de uitgave van 2019 direct maar bij de strot te pakken, en niet meer los te laten. En dus beloofde Prudhomme al in week één spektakel, zonder meteen al van die wandeletappes die vaak zo saai zijn, dat mensen er zelfs in hun zomervakantie geen tijd meer voor inruimen. Een logische stap voor een concern dat grotendeels steunt op melkkoe de Tour. Maar tegen welke prijs?

In de dagen voorafgaand aan de etappe naar de Super Planche des Belles Filles klinkt in het peloton kritiek: Servais Knaven van Team INEOS vindt dat de Tour stukken onverhard niet nodig heeft en Quickstep-baas Patrick Lefevere zegt dat de Tour over wegwielrennen moet gaan, niet over mountainbiken. Hij is zelfs boos: „Met dit soort vernieuwingen gaat de bom in hun eigen gezicht ontploffen”, laat de Belg zich ontvallen, waarbij hij met ‘hun’ de organisatie bedoelt.

Extra fietsen, extra reservewielen

Lefevere maakt zich druk om de logistieke operatie die zo’n bergetappe toch al is, en die met gravelpaden nog veel ingewikkelder wordt. Ploegleiders en renners vervloeken de grote kans op een lekke band, met de finish in zicht willen ze de factor pech tot een minimum beperken. En dus mogen er materiaalposten worden ingericht, met nog 800 meter te gaan staan mecaniciens en soigneurs op een rijtje opgesteld met extra fietsen en reservewielen, voor het geval dat.

De organisatie laat daags voor de rit losbarst nog in allerijl een wals over het grind rijden, zodat scherpe steentjes minder schade kunnen aanrichten. Er zijn meer noodmaatregelen afgekondigd: journalisten mogen niet naar de finish, alleen fotografen met een speciale accreditatie worden toegelaten.

Na vijven draait een kopgroep van vier, met drie minuten daarachter een uitgedund peloton, de provinciale weg D16E op, richting de top van de Planche. Het blijft lang kalm in de koers, omdat de renners weten wat er nog komen gaat. Op de plek waar de finishlijn twee jaar terug nog lag, ontploft de koers. Julian Alaphilippe valt aan, in de hoop zijn gele trui nog even vast te houden.

Als gevolg van die krachtsexplosie moet Steven Kruijswijk passen, net als Bauke Mollema en Romain Bardet, de Franse hoop op een Tourzege. Ze zwoegen in eigen tempo het gravel over, verliezen meer dan een halve minuut, Bardet zelfs het dubbele. Met een slippend achterwiel zoeken ze hun weg door de putten en builen in het wegdek, schokschouderend, hevig grimassend.

En dan moet het steilste stuk nog komen. Er zijn renners die op de finishlijn blijven stilstaan, geen meter verder kunnen en geduwd moeten worden. Niet Geraint Thomas. De titelverdediger pakt kostbare tellen op zijn concurrenten, zoals hij het vorig jaar ook deed: explosief toeslaan in de laatste kilometers.

Foto Joris Knapen

Mooie plaatsjes, maar onnodig

Als de renners via een sluiproute vijf kilometer dalen en bij de teambussen aankomen, is de fysieke pijn nog maar een herinnering. Evengoed zijn ze niet allemaal te spreken over de Super Planche des Belles Filles. „Het zou een beetje lullig zijn als je op zo’n strookje materiaalpech krijgt”, zegt Dylan van Baarle. „Dat was het niet waard.” Mike Teunissen heeft woorden van gelijke strekking: „Mooie plaatjes hoor, maar om nou te zeggen dat het nodig was, nee.”

De Super Planche zal wel een blijvertje zijn, om de zoveel jaar. Alleen al de reuring vooraf zal het waard zijn geweest. Geen medium dat niet uitkeek naar het gravel.

Noemenswaardige incidenten zijn er niet geweest, hoewel de afdaling in een mist van opdwarrelend stof voor sommige fotografen en mensen van tv hachelijk moet zijn geweest.