Recensie

Recensie Boeken

Niets aan de hand, denk je, tot de naam Ravensbrück valt

Maja Haderlap In een schitterende taal schreef deze Oostenrijkse auteur een roman over het leven binnen de Sloveense boerengemeenschap in Karinthië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het boek werd met alle grote Duitse prijzen bekroond.

Een folkloristisch feest van Sloveense boeren.
Een folkloristisch feest van Sloveense boeren. Foto James P. Blair/National Geographic/Getty Images

In het begin is er niets aan de hand. Het plattelandsleven in het Karinthië van de jaren zeventig en tachtig, verbeeld in de roman De engel van het vergeten, oogt simpel en evenwichtig, zonder idyllisch te worden. De bazige grootmoeder bereidt in de keuken van haar boerderij eten, haar zoon geniet van zijn bijen, zijn vrouw schikt zich in alles en hun opmerkzame dochter vertelt over hun bestaan.

Maar dan valt ineens de naam Ravensbrück, het nazi-concentratiekamp voor vrouwen. Die grootmoeder blijkt er tussen 1943 en 1945 gevangen te hebben gezeten, omdat ze met een partizaan getrouwd was. Op dat moment wordt prompt het doek opgehaald en ontspint zich het fascinerende relaas dat de Oostenrijkse schrijfster Maja Haderlap (1961) echt wil vertellen: dat van de lotgevallen van de Sloveense minderheid in Karinthië tijdens de Tweede Wereldoorlog, een groepering waartoe ze ook zelf behoort.

Het is een dramatische en vooral vergeten geschiedenis, want Sloveense partizanen verwacht je niet in het met Hitler collaborerende Oostenrijk. Eerder kon je ze aantreffen in het nabijgelegen Joegoslavië, waar ze, soms aan de kant van communistenleider Tito, tegen de Duitsers en de met hen collaborerende Kroaten vochten.

Uitroeien

Nadat Oostenrijk in maart 1938 bij Hitler-Duitsland was ingelijfd, kwamen de Karinthische Slovenen onder nog grotere druk te staan dan ze al waren gewend. Ze moesten assimileren (compleet met naamsverandering) of verdwijnen, want de Duitsers wilden de dwarsliggers na het behalen van de overwinning uitroeien. Uit verzet sloten die halsstarrige Slovenen zich aan bij de partizanen, die door de Duitstalige Oostenrijkers overigens als landverraders werden beschouwd.

De partizanenstrijd in Karinthië verschilde in wreedheid en bloeddorst niet van die in Joegoslavië. Er werd bruut gemoord, gemarteld en geplunderd. Verraad was heel gewoon. Het geringste vermoeden van collaboratie kon een Sloveense boer een doodvonnis opleveren. Op hun beurt maakten de Duitsers en hun handlangers hele dorpen met de grond gelijk en deporteerden de bewoners naar kampen waar ze meestal omkwamen.

Lees ook: De geheime geschiedenis van een Russische bourgeoisfamilie

Zulke wreedheden komen uitvoerig aan de orde in de verhalen die de grootmoeder in de roman van Haderlap op de valreep van haar aardse bestaan aan haar kleindochter vertelt. De oorlog blijkt na dertig jaar nog in ieders hoofd rond te spoken, al wordt er zelden over gesproken.

Getraumatiseerd

Vooral de vader van de vertelster is getraumatiseerd. Als tienjarig jongetje werd hij door de Oostenrijkse politie aan zijn voeten opgehangen om hem te laten bekennen dat zijn vader zich bij de partizanen had aangesloten. Zijn leed verdringt hij door geforceerd vrolijk te doen.

In bepaalde opzichten doet De engel van het vergeten (Engel des Vergessens) denken aan sommige romans van Claudio Magris en Italo Calvino, die ook handelen over uit de geschiedenis weggemoffelde partizanen in de streek waar Oostenrijk, Italië en Joegoslavië samenkomen. Meer nog dan zij beschrijft Haderlap de verschrikkingen in een ongekend mooie taal, die haar boek iets van een sprookje verleent. Zoals wanneer ze het over het bos heeft: ‘De bossen zijn voor veel mensen een toevluchtsoord geweest, een hel waarin op wild werd gejaagd en waarin zij als wild werden opgejaagd.’ Of: ‘De oorlog is een achterbakse mensenvisser. Hij heeft zijn net over de volwassenen uitgegooid en houdt hen gevangen met zijn doodsscherven, met zijn wirwar aan herinneringen. Eén kleine onvoorzichtigheid, één moment van onopletttendheid en hij trekt zijn netten al aan en heeft vader aan zijn herinneringshaak hangen, en vader rent al voor zijn leven en probeert aan zijn almacht te ontkomen.’

Haderlap bouwt haar indrukwekkende verhaal fragmentarisch op en volgt daarbij de chronologie van het leven van haar vertelster. Wanneer zij eenmaal naar het gymnasium gaat, waar Sloveenstaligen op een ander moment van de dag onderwijs krijgen dan de Duitstaligen, neemt de intensiteit van het door haar beschreven boerenleven toe. Vooral wanneer de dood zich aandient in de gedaante van zelfmoorden onder plattelandsbewoners die genoeg hebben van het boerenbestaan: ‘De dood doet zoals altijd zijn jaarlijkse ronden’, lees je dan.

Tweedegeneratie

Als ook de grootmoeder sterft, beschrijft Haderlap een rouw- en begrafenisritueel, met een doodskist die in de woonkamer onder een raam op het zuiden is neergezet. En dan volgt er weer zo’n mooie zin: ‘De dode is ons lieve kind, dat met zorg omringd en voor de gasten getooid moet worden.’ Na een paar dagen wordt de kist door het raam naar buiten gedragen om nog even op de drempel te worden geplaatst, zodat de dode afscheid kan nemen van haar huis, haar nabestaanden en haar akkers.

Lees ook: Een adellijke familie die de ‘bloeddorstige’ twintigste eeuw aan den lijve ondervindt

De beschrijvingen van dat ritueel worden afgewisseld door het aangrijpende relaas van de vader van de vertelster, die het ervaart alsof ze erbij is geweest: ‘Zijn verhaal is het mijne geworden, stel ik vast, hoewel ik op dat moment helemaal niets vaststel, alleen het gevoel heb dat hij me een deel van mijn eigen verhaal heeft verteld.’ De vertelster is ineens een tweedegeneratieslachtoffer geworden, onlosmakelijk verbonden met het verleden van haar familie.

Naarmate de vertelster ouder wordt en in Wenen theaterwetenschap gaat studeren en een proefschrift schrijft, wordt ze zich nog bewuster van dat beklemmende verleden. Dat blijkt vooral als ze in de zomervakanties naar haar ouderlijk huis terugkeert: ‘De heuvels van mijn geboortestreek zijn veranderd in een val, die me elke zomer vangt en dichtklapt’, schrijft ze. Ze waant zich gevangen tussen twee culturen: die van de partizanen en die van het moderne Oostenrijk, dat zich evenwel lange tijd als slachtoffer van Hitlers agressie heeft gepositioneerd. En dan begint in 1992 ook nog een oorlog in het uiteenvallende Joegoslavië zelf, die tot grote verwarring in haar familie leidt.

Omdat de verstelster zich niet kan losmaken van haar milieu, moet ze een brug zien te bouwen naar een andere oever, om de beide werelden waarin ze leeft met elkaar te verbinden. Pas dan kan ze de spoken uit het verleden achter zich laten en een eigen leven beginnen. Haderlap heeft dat streven schitterend verwoord, in een speelse en rijke roman die nog lang blijft naklinken.