Opinie

Roze hoort toch wel bij Mr. Pink

Joyce Roodnat Kunstenaars worden beïnvloed door voorgangers, maar willen daar vaak niet van weten. Behalve filmers. Die hebben er helemaal geen problemen mee om invloeden in hun eigen werk te tonen. En er hun eigen draai aan te geven, ziet Joyce Roodnat.

Joyce Roodnat

Een kunstwerk komt nooit nergens vandaan, kunstenaars staan op de schouders van hun voorgangers, zoals dat heet. Niet dat ze dat altijd willen weten. Vooral beeldend kunstenaars doen soms of ze volledig oorspronkelijk zijn en worden zelfs knorrig als je wijst op voorbeelden of invloeden. Zo niet de filmers. Die eten, drinken en denken filmgeschiedenis, en dat willen ze weten – kijk maar naar de cineast Martin Koolhoven die in zijn tv-programma De kijk van Koolhoven briesend van hartstocht uitlegde wat hem zo raakt in bepaalde films en filmgenres. Daarbij onthulde hij zonder omhaal hoe er van alles weerklonk in zijn eigen films.

De gebroeders Duffer doen er in hun Netflixserie Stranger Things een schepje bovenop. Ze zetten hun schatplichtgheid aan de hitfilms van de jaren 80 aan met moddervette verwijzingen, duidelijk in de hoop dat hun publiek die oppikt. Aanvankelijk was het vooral E.T., in reeks 3 storten ze een vracht révérences naar horror-klassiekers. Ik herken in de gauwigheid Alien, The Shining, Jurassic Park, Invasion of the Bodysnatchers – maar ik verbeeld me niks, er is vast heel veel meer.

Het geheim is dat het geen geheim is en ook geen schande. Zo programmeert de Amsterdamse bioscoop Studio K deze zomer acht films waar Quentin Tarantino het allemaal van heeft.

Ik wil vooral City on Fire (1987) niet missen. Dat is de Hong-Kong-gangsterfilm waarop Tarantino Reservoir Dogs (1992) baseerde, zijn debuut dat nu zelf een stoet bewonderende navolgers heeft. Hij vertelt hetzelfde verhaal. Hij nam personages, scènes en shots over – zelfs de befaamde ‘mexican standoff’, de patstelling waarin alle gangsters elkaar onder schot houden, heeft hij uit City on Fire. Maar één cruciaal ding veranderde hij: de hoofdpersoon, een undercover-agent, houdt Tarantino aanvankelijk óók undercover voor het publiek. Dat blijkt pas halverwege, en in een terugblikscène wijst hij erop dat alles wat je hebt gezien op losse schroeven komt te staan. En daarmee verandert City on Fire, een studie van verschuilen, in Reservoir Dogs, een studie van verraad en wat dat betekent voor anderen. Daarmee werd deze film een tragedie van oud-Griekse proporties, met de jankende Mr. White (Harvey Keitel) als klassieke held.

The Taking Of Pelham 123 (1974) wordt ook vertoond, want aan die favoriet ontleende Tarantino de schuilnamen Mr. Blonde, Mr. Pink, Mr. Orange etcetera. In dat groezelige juweeltje kent een stel treinkapers elkaar als Mr. Green, Mr. Grey, Mr. Brown enz. Briljant idee, Tarantino deed dat ook. Maar met andere kleuren die ineens iets gaan betekenen. Zo is Mr. Pink ronduit beledigd dat hij ‘roze’ moet heten, maar uiteindelijk ‘klopt’ hij met die naam.

Tarantino is geen plagiator. Hij bootst na, zoals in vroeger eeuwen kunstenaars hun grote voorbeelden kopieerden, steeds weer kopieerden. Konden ze die verbeteren, dan waren ze volleerd.