Reportage

Pierre Audi: ‘Dit festival is niet voor gezellige voorstellingen na het diner’

Operafestival Pierre Audi is als artistiek directeur van het operafestival in Aix-en-Provence trefzeker en overwegend succesvol gestart met vijf experimentele, geëngageerde en voorstellingen zonder luchtigheid.

Scène uit Requiem van regisseur Romeo Castellucci.
Scène uit Requiem van regisseur Romeo Castellucci. Foto Pascal Victor/ArtComPress

Apocalyptische slagregens teisterden vorige week de openingsavond van het eerste operafestival in Aix-en-Provence onder de artistieke leiding van Pierre Audi. De première van Requiem in het Théâtre de l’Archevêché (stoelen buiten, toneel overdekt) liep er vijf kwartier vertraging door op, en duurde mediterraan mondain tot ver na middernacht.

Pech – zou je denken. Maar de klimaatzorg die je bij uitbundig noodweer lastig wegdrukt, sloot juist naadloos aan op Requiem. Regisseur Romeo Castellucci grijpt hier Mozarts dodenmis (en meer Mozart-muziek) aan voor een beklemmende voorstelling over leven – en vooral dood. Openingsscène: een oude dame die eenzaam voor de tv zit te roken en dan sterft. De beklemming wordt uitvergroot door het contrast met de onaardse schoonheid van een off stage gezongen gregoriaans graduale. Boven je hoofd strekt zich de opgeklaarde Provençaalse zomernacht uit, inclusief sterren en krekelgezang.

Die idylle zal niet voortduren, voorspelt Castellucci. „Het uitsterven van krekelgezang in de nacht” is een van de sombere voorspellingen en vaststellingen die, op een scherm geprojecteerd, de revue passeren. Alle dieren, talen, religies, volkeren en kunstwerken die het op aarde niet redden: van de Siberische tijger tot de Berlijnse Muur. En die krekels, dus. Jammer dat de opsomming verzandt in onheilsprofetieën. Ook vriendschap, tranen en het ‘ik’ zullen uitsterven, aldus Castellucci, zelfs „het woord ik”. Prima, denk je dan – murw geslagen door zoveel somberheid. Als dat waar is, gaan we de rest in elk geval niet meer meemaken.

Scène uit Requiem van regisseur Romeo Castellucci. Foto Pascal Victor/ArtComPress

Requiem, muzikaal geweldig gebracht door Ensemble Pygmalion onder Raphaël Pichon, is een krachtige voorstelling. Het leven, dat is hier hupsig reidansen om de fleurige meiboom – zelfs op Mozarts omineuze Dies Irae wordt gedanst. Maar Castellucci bestendigt ook zijn reputatie als grootmeester in krachtige beelden. Neem het kleine jongetje dat een schedel het podium opvoetbalt, en dan stil blijft staan en uitbarst in engelachtig sopraangezang: een ultieme vanitas-beleving. Het zielkervendst is een levende baby die minutenlang eenzaam op het podium moet liggen en zijn kleine hoofdje steeds met frisse levensmoed probeert op te richten boven de puinhopen van zijn voorouders uit. Straks gaat-ie huilen, denk je, alsjeblieft – red hem! Maar dan valt het doek.

Prestige en engagement

De ontvangst in de Franse pers is direct goed. „Een geweldige meditatie over de schoonheid van de wereld en het uiteenvallen daarvan”, schrijft Le Figaro. En: „Als nieuwe directeur een operafestival openen met een werk dat geen opera is, dat is een krachtig statement.” Ook Le Monde is lovend: „sober en magnifiek”.

In zijn kantoortje naast het Theatre de l’Archevêché, een van de drie festivallocaties, is Audi al voordat de eerste recensies verschijnen zelfverzekerd over zijn koers. „Beginnen met een artistiek risicovol programma is goed – dat zet ons op de kaart”, zegt Audi.

Vorig jaar nam Pierre Audi na 30 jaar afscheid als directeur van De Nationale Opera. Lees hier zijn afscheidsinterview.

„Aix is een smaakmakend festival, het moet niet alleen ‘feestelijk’ zijn, maar ook prestigieus. De complexe én leuke taak is om vernieuwing en kwaliteit te combineren. Wij zijn er niet voor een gezellige voorstelling na een fijn diner.”

Zijn eerste editie illustreert die koers. Vijf opera’s, alle op eigen wijze geëngageerd, klinken in vier dagen – en worden dan nog twee weken herhaald. „Anders dan het Holland Festival [Audi was daar directeur tussen 2005 en 2014, red.] produceert het festival van Aix zelf voorstellingen. Wat wij hier maken, kun je vergelijken met een half Amsterdams operaseizoen, samengebald in drie weken.”

Tosca van Christophe Honoré met sopraan Catherine Malfitano. Foto Jean-Louis Fernandez

Co-producties zijn belangrijk voor Aix. Veel van wat je hier ziet, wordt later ook elders opgevoerd – en kost dus minder. Zoals Puccini’s Tosca – voor Aix ongewoon repertoire, net als alle geprogrammeerde stukken: een Mozart-oratorium klonk hier nog nooit, een Duitse moraliteit als Mahagonny van Weill en Brecht uiteraard ook niet. Helemaal ongekend zijn de twee kleinere festivalvoorstellingen, het indringende Jakob Lenz van Wolfgang Rihm (eerder te zien in Brussel) en de wereldpremière van het zeer indrukwekkende en jubelend ontvangen De duizend slapenden van Adam Maor: een dystopische, zeer gecondenseerde en Hebreeuws (!) gezongen kameropera over de Palestijns-Israëlische impasse – met galgenhumor en muzikale verwijzingen naar boventoon- en synagogale tropenzang als opvallende eigenschappen.

Pruilende tuitlipjes

Tosca is de meest conservatieve titel van het programma van dit jaar, maar de Franse filmregisseur Christophe Honoré serveert ook deze opera zoals je haar nog nooit zag: als een ode c.q. aanklacht aan/van de diva-cultuur.

Kijk maar, daar zit ze: sopraan Catherine Malfitano, 71 inmiddels. Wie herinnert zich niet haar legendarische Tosca, in 1992 live op tv vanaf de ware locaties in Rome? Miljoenen kijkers smulden van haar kersenrode tuitlipjes, zingend én zoenend (oh ja!) met Plácido Domingo.

In deze nieuwe Tosca denkt Malfitano aan haar successen terug. Een cameraploeg volgt haar op de voet; elke weemoedige grimas wordt op scherm uitvergroot. Jonge zangers komen nu bij haar hun rol instuderen. Zoals sopraan Angel Blue, die in het concept én in werkelijkheid debuteert als Tosca en het (in close-up) maar moeilijk heeft met de bejaarde diva die haar de melodieën uit de mond stoot. Maar in de prijsaria ‘Vissi d’arte’ („ik heb geleefd voor de kunst”) mag zíj gloriëren, terwijl op scherm legendarische interpretes uit het verleden langsflitsen. Nu is Angel Blue de ster, doceert Honoré – maar hoe is dat morgen? Op de achtergrond snijdt de oude Tosca zich de polsen door, niet uit liefdes- maar uit levenspijn. Een citaat van Proust verklaart waarom: „Mensen zijn geen monumenten.”

Tosca. Foto Jean-Louis Fernandez

Het postmoderne concept is op papier overtuigend en het toneelbeeld oogt fraai, maar theatraal is het resultaat saai en muzikaal te weinig verankerd: je aandacht is voortdurend daar waar Puccini hem niet wilde. In de pers zijn de reacties gemengd: lof van Le Monde en Le Figaro, neersabeling in de Financial Times.

Lichtpuntjes: sopraan Angel Blue is een Tosca met een knetterende podium-présence en tenor Joseph Calleja verzorgt, eenmaal warmgezongen, een ontroerende lezing van zijn prijsaria ‘E lucevan le stelle’. Het orkest van de opera Lyon is voortreffelijk: onder perfectionistische leiding van Daniele Rustioni realiseert het een strakke Puccini-klank die je toch in vervoering brengt.

Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny in de regie Ivo van Hove. Foto Pascal Victor/ArtComPress

Uitgebeende Mahagonny

Filmbeelden zijn hip onder operaregisseurs. Theaterregisseur Ivo van Hove was daarin een trendsetter en ook in zijn uitgebeende enscenering van Weills anti-materialistische opera Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny (1927) , later dit seizoen in Amsterdam, zijn videobeelden de hoofdtroef. In het lege toneelbeeld (de stad Mahagonny werd in het niks gebouwd) domineert een enorm scherm. Een groen tweede scherm ernaast biedt extra opties, zoals een virtuele gangbang; Mahagonny is immers de stad waar „du alles darfst”. Video heeft voordelen. Hoeren ogen extra hoerig in close-up, bijvoorbeeld. Nadeel is dat opera gáát over live-zang en het scherm je oog steeds verlokt dáár te kijken in plaats van naar de zangers zelf.

Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny in de regie Ivo van Hove. Foto Pascal Victor/ArtComPress

De meeste emotie komt uit de bak, waar het Philharmonia Orchestra excelleert in Weills aanstekelijke mix van dancehall en neoklassieke opulentie. Dirigent Esa-Pekka Salonen weet hoe je koper moet laten schmieren, hoe cruciaal timing is voor een evergreen als de ‘Alabama Song’. Enig nadeel: de akoestiek in het in 2007 gebouwde Grand Théâtre de Provence is verre van ideaal, zodat de zangers aanvankelijk soms wegvallen – zelfs al heb je het dan over internationale zwaargewichten als Annette Dasch, Karita Mattila, Nikolai Schukoff én de Nederlandse bariton Thomas Oliemans (Bankroll Bill) in een van zijn beste rollen ooit.

Het resultaat is een Mahagonny die muzikaal overtuigt, maar theatraal weinig doet om de onderliggende, een eeuw later nog steeds actuele vragen (hoe dan wel?) hard te laten aankomen.