Opinie

Neerlandistiek is niet geholpen met gemakkelijk pessimisme

Neerlandistiek Neerlandici zitten in hetzelfde schuitje als de cultuurdragers die hen bekritiseren, betoogt . Ze zijn kanaries in dezelfde zuurstofloze culturele mijn.

De neerlandistiek is van iedereen. Meer dan een miljoen jongeren krijgen wekelijks les in dit vak en – anders dan scheikunde of biologie – is het per definitie verstaanbaar. Toen dit voorjaar bekend werd dat de bachelor Nederlands aan de VU werd opgeheven, was er dan ook gekrakeel.

In die discussie gaat veel fout. Misverstanden, slordigheid en onwetendheid voeden wat een urgent nationaal debat had kunnen worden over het belang van het onderwijs Nederlands. Waar komen die hardnekkige misverstanden nu uit voort? En wat is de werkelijke taak van de neerlandistiek in een samenleving die kampt met groeiende ontlezing en laaggeletterdheid?

Opiniemakers – die meestal niet veel weten over de hedendaagse inrichting van de academische opleidingen – zijn er in een paar types. Allereerst het ‘vroeger-was-het-beter-type’, vol nostalgie uit de jaren zeventig van de vorige eeuw, over uitpuilende collegezalen en jaren vol aanstormende schrijvers die elkaar inspireerden. Maar de opleidingen Nederlands waren niet beter. Docenten waren lang niet altijd gepromoveerd, laat staan geselecteerd op didactisch talent. Dat er toen meer studenten waren, heeft niets te maken met de kwaliteit van de opleiding vroeger, maar met het gebrek aan aantrekkelijke alternatieven, zoals de brede bachelor-studies van tegenwoordig.

Verwant is ‘het-is-nooit-wat-geweest-type’, dat zich tegenvallende colleges of ongeïnspireerde docenten herinnert. Zoals Volkskrant-columniste Sylvia Witteman. Zowat niemand wil nog Nederlands studeren, schreef ze maar ze vindt het „vermoeiend” om er „verontwaardigd over te zijn”. Zo’n ironische column met gedateerde kritiek richt meer schade aan dan honderd welwillende schooldecanen of universitaire voorlichters kunnen herstellen.

Lees: Nederlands is een avontuur

Hobbel voor Pfeijffer

De verwijten van beide types komen op hetzelfde neer: neerlandici van nu leiden hun studenten verkeerd op – overigens zonder kennis te hebben van wat er gebeurt in de collegezalen. Zelfs een online-studiegids raadplegen blijkt al een hobbel voor Ilja Leonard Pfeijffer. In de week dat hij zijn pen in Genuees vitriool doopte en in NRC schreef dat studenten geen Lucebert en Couperus meer „mogen lezen”, zaten wij met studenten gedichten van Lucebert te bespreken.

De kritiek komt erop neer dat we in de letterkunde – waartoe de neerlandistiek in hun ogen is gereduceerd – aan theorie doen. Wat in alle andere vakgebieden een voorwaarde is voor wetenschappelijkheid, zou in de neerlandistiek juist de malaise bewijzen.

In die redenering is ‘theoretisch lezen’ de vijand van ‘goed lezen’. Maar goed lezen is geen doel op zichzelf! In een wetenschappelijke context is het alleen een middel om historische, vergelijkende of actuele vragen over literatuur te beantwoorden. Somberaars als Pfeijffer gaan eraan voorbij dat de neerlandistiek een talige wereld bestudeert, in plaats van een ideale. Als er in die wereld sprake is van ‘patriarchaal ingerichte’ verhalen, code-switching, of jongeren die hun identiteit betekenis geven met Nederlandse hiphopteksten, dan zijn ook dat de processen die neerlandici zullen bestuderen.

Twistgesprek: De bachelor Nederlands is niet langer relevant

Literatuursociologie

Toorn en hoon richten zich vooral op de literatuursociologie, gepersonifieerd in de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Maar op 140 letterkundige tijdschriftpublicaties in de afgelopen drie jaar ging welgeteld één artikel rechtstreeks over het werk van Bourdieu. Hetzelfde geldt voor het onderwijs. Een enkel keuzevak als ‘De reputatie van literatuur’ daargelaten, is Bourdieu geen factor van gewicht.

Waarom blijft zijn spook toch rondwaren in het debat? Omdat het de criticasters gaat om iets anders dan de academische neerlandistiek, namelijk om de toekomst van de literatuur. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een recent essay van Piet Gerbrandy in De Nederlandse Boekengids (2019 #3), die zegt dat Bourdieu c.s. ons een afkeer hebben bezorgd van (studie naar) ons eigen literair erfgoed.

Nu beweert niemand dat de literaire ontlezing een goede zaak is. Allen die geloven in de zeggingskracht van literaire teksten zien het als een tragedie dat televisie en de digitale cultuur, en de uitholling van het talenonderwijs hebben gezorgd voor een groeiende desinteresse bij de jeugd voor literatuur. Maar de suggestie dat de neerlandistiek daar de oorzaak van is, of de oplossing zou moeten bieden, is misleidend. In tegendeel: neerlandici zitten in hetzelfde schuitje als de cultuurdragers die hen bekritiseren: ze zijn de kanaries in een culturele mijn waarin vrijwel geen zuurstof meer is.

Commentaar: De studie van de moedertaal verdient koestering

Vier opdrachten

Laten we daarom gezamenlijk strijd leveren en verantwoordelijkheid nemen voor de Nederlandse taal- en cultuur. Die is namelijk niet van ons neerlandici alleen; we hebben hulp nodig, van binnen en buiten de academie. Vier grote opdrachten staan ons te wachten:

1 Overheid, universiteiten en publiek ervan overtuigen dat de prioriteit niet uitsluitend naar bèta-studies gaat. Ze hebben ongetwijfeld geld nodig, zoals de commissie-Van Rijn betoogt, maar daartoe mag ons laboratorium – de geest – niet worden verwaarloosd.

2 Samen de onverschillige overheid en de universiteiten dwingen om eindelijk een structureel taal- en cultuurbeleid te ontwikkelen.

3 Onze discipline blijven vernieuwen om aan te sluiten bij een veranderend, meertalig en divers Nederland.

4 Bijdragen aan een sterker en inhoudelijker schoolvak en eindexamen Nederlands – en niet alleen op het VWO.

Hoe gaan we dat doen? Met uw hulp. Kom colleges en nascholingscursussen volgen, lees onze boeken, sta ons terzijde met kritische raad en daad. Want de neerlandistiek is van iedereen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.