Het wijzen begon ooit als aanraken

Psychologie Aanwijzen met een vinger of hand is ontstaan als een poging voorwerpen fysiek aan te raken, betogen psychologen.

Wijzen in de 16de eeuw: Michelangelo’s fresco De Schepping van Adam in de Sixtijnse Kapel te Rome.
Wijzen in de 16de eeuw: Michelangelo’s fresco De Schepping van Adam in de Sixtijnse Kapel te Rome. Foto AP

Als kinderen ongeveer een jaar oud zijn – soms wat ouder, soms wat jonger – beginnen ze te wijzen. Een belangrijk, uniek menselijk gebaar. Kinderen die laat gaan wijzen, leren ook laat taal. Maar waar komt het gebaar vandaan? Begint het met ergens naar reiken, een speelgoedje of zoiets, in de hoop dat een volwassene het aangeeft? Maar dat gebeurt meestal met een open hand.

Nee, het zit anders, betoogt een team van Duitse en Franse psychologen deze week in een artikel in Science Advances: het gebaar wijzen begon als aanraken. Als kinderen een paar maanden oud zijn, beginnen ze voorwerpen met uitgestrekte vingers te bepotelen. Waarschijnlijk, schrijven de onderzoekers, merkt een kind dat volwassenen óók gaan letten op het voorwerp dat ze vasthouden. Vervolgens raakt het gebaar om het voorwerp met de vingertop aan te raken geabstraheerd: dan wordt wijzen al genoeg om de aandacht van een volwassene op een voorwerp te vestigen. Net als kinderen en jonge apen opgepakt worden als ze twee handen in de lucht steken en niet meer helemaal in hun moeder hoeven te klimmen, zeggen de psychologen; dat is een vergelijkbaar soort abstraheren.

De pijl-interpretatie is iets wat kinderen pas later leren

Om hun theorie te testen, onderzochten ze of kinderen van verschillende leeftijden en volwassenen hun wijzende hand puur als een pijl gebruiken, of dat er nog resten van aanraking in zijn aan te treffen. Dat laatste bleek het geval. In één experiment moesten kinderen van anderhalf aanwijzen waar een pop was; kinderen van drie en van zes jaar en volwassenen moesten aanwijzen onder welke beker een balletje lag. In alle leeftijdsgroepen kwam niet zozeer de imaginaire lijn in het verlengde van de wijsvinger uit bij het aangewezen poppetje of bekertje, maar kwam de imaginaire lijn vanuit de ogen door de vingertop naar het aangewezen poppetje of bekertje dichterbij. Voor de proefpersonen en -persoontjes léék het dus alsof ze hun vinger óp het voorwerp legden waarnaar ze wezen.

In een ander experiment moesten kinderen en volwassenen aanwijzen waar op een doos (die een eindje van hen vandaan stond) een magneet zat. Proefpersonen blijken dan hun pols mee te draaien als de magneet op de zijkant van de doos zit, zodanig dat de vingerafdrukkant van hun vingertop naar het voorwerp gericht is – als in aanraking, dus. Als je wijzende vinger puur een pijl is, is dat niet nodig.

Verplaatsen in anderen

Die pijl-interpretatie is iets wat kinderen pas later leren, suggereert een derde experiment. Daarin keken proefpersonen naar iemand die ‘ambigu wijst’: zijn vingertop lijkt het ene voorwerp bijna aan te raken, maar de doorgetrokken lijn vanuit zijn vingertop is dichter bij het andere voorwerp. De meeste kinderen van anderhalf en drie jaar oud zijn nog helemaal niet bezig met die doorgetrokken lijn: zelfs als de wijzende persoon kijkt naar het voorwerp waar de doorgetrokken lijn bij uitkomt, kiezen ze toch in meer dan de helft van de gevallen het bijna-aangeraakte voorwerp.

Dit onderzoek moet natuurlijk nog wel herhaald worden, met dezelfde uitkomsten, om echt conclusies te kunnen trekken over de oorsprong van wijzen. Het zou dan ook interessant zijn om verder te onderzoeken hoe de ontwikkeling van wijzen te maken heeft met het ontstaan van theory of mind in jonge kinderen: het vermogen om je te verplaatsen in anderen en het besef dat die de wereld anders kunnen zien.

Correctie 11-7: Bij een eerdere versie van dit artikel was de afbeelding van De Schepping gespiegeld. In het origineel staat God rechts afgebeeld en Adam links.