David Kaye, VN-rapporteur vrije meningsuiting, wil een op mensenrechten gebaseerd internet.

Foto Rodrigo Buendia/AFP

‘Facebook hoort niet de grens van het debat te bepalen’

Interview Facebook, Google en Twitter bepalen nu wat haatzaaiend is, constateert David Kaye. Dat geeft deze bedrijven volgens de VN-rapporteur te veel macht over het vrije woord. Zijn verzoek aan overheden: handhaaf de mensenrechten op deze platforms.

Ineens lijkt iedereen socialemediabedrijven te willen reguleren. Wat nog maar een jaar geleden ondenkbaar leek – „censuur!” – wordt nu gezien als logische stap na schandalen over kiezersmanipulatie, privacyschendingen en haatzaaiend materiaal. Het Franse parlement buigt zich momenteel over een wetsvoorstel waarin sociale media worden verplicht haatdragende teksten binnen 24 uur te verwijderen. Een vergelijkbare wet is al in Duitsland van kracht. Zelfs Facebook-baas Mark Zuckerberg riep onlangs in een opiniestuk op toch alsjeblieft te reguleren.

De grote vraag die wetgevers moeten zien te beantwoorden: hoe behouden we het goede van sociale media en verminderen we de schadelijke effecten?

Lees ook: Journalist Peter Breedveld vervolgd wegens belediging

Als speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor de vrijheid van meningsuiting houdt de Amerikaan David Kaye zich al langer bezig met die vraag. Hij was de afgelopen week in Amsterdam om deel te nemen aan een debat in De Rode Hoed over zijn nieuwe boek: Speech Police: The Global Struggle to Govern the Internet.

Dat de macht van de grote socialemediabedrijven moet worden ingeperkt staat voor hem buiten kijf. „Facebook, Google en Twitter zijn zo dominant dat zij in feite beslissen wat wel en niet legitiem is om te zeggen in het openbaar. Dat staat mijlenver af van de oorspronkelijke droom van het internet: een gedecentraliseerde, democratische plek waar iedereen een stem heeft.”

U waarschuwt tegelijk tegen vergaande maatregelen die het vrije woord kunnen inperken. Waarom?

„Omdat wetgevers de neiging hebben zaken als haatzaaien en terreurpropaganda heel breed te definiëren. Neem de Duitse socialemediawet NetzDG, die bepaalt dat internetbedrijven haatberichten binnen vierentwinting uur na melding moeten verwijderen. Ze mogen zelf bepalen wat ze onder haatzaaien verstaan. Dat geeft ze in feite nog meer macht over het vrije woord dan ze al hadden.”

Kaye stelt een andere benadering voor: een op mensenrechten gebaseerd internet. „We hebben in internationale mensenrechtenverdragen afgesproken wat onder de vrijheid van meningsuiting valt, en wat niet. Oproepen tot geweld of aanzetten tot haat tegen een bevolkingsgroep geldt bijvoorbeeld als misbruik van dat recht. Waarom zouden we socialemediabedrijven niet aan die afspraken houden?”

Lees ook: het interview met ex-vicepremier Nick Clegg die nu voor Facebook werkt

Hoe ziet zo’n op mensenrechten gebaseerd internet eruit?

„Als een plek waar de liefde vrijelijk vloeit… [lacht]. Nee serieus, waarom zouden we online producten niet toetsen aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens? Het is helemaal geen gek idee om nieuwe producten aan standaarden te onderwerpen die erop zijn gericht schade te voorkomen. Dat gebeurt met medicijnen, levensmiddelen, financiële producten, et cetera. Als Facebook zich in Myanmar had afgevraagd of hun product individuele mensenrechten van burgers zou kunnen schaden, dan had het waarschijnlijk kunnen voorkomen te worden gebruikt om geweld aan te wakkeren tegen de Rohingya-minderheid.

„De servicevoorwaarden, die bepalen welke berichten zijn toegestaan en welke niet, moeten ook in lijn worden gebracht met de mensenrechtenverdragen. De techplatforms opereren op dit gebied in feite als overheden, die de grenzen van het publieke debat bepalen en dus ook aan dezelfde verdragen als overheden gehouden zouden moeten worden. Dat geeft de bedrijven bovendien in autoritaire omgevingen een extra argument om zich te verzetten tegen overheidscensuur: sorry, maar de mensenrechtenverdragen zeggen dat we kritiek op leiders wel moeten toelaten.”

Algoritmes bepalen wat we zien op sociale media. Moet daar toezicht op komen?

„Het beoordelen van algoritmes vergt kennis van wiskunde en software die nu bij toezichthouders ontbreekt. Bovendien denk ik dat het nog belangrijker is om te kijken naar de data waarmee de algoritmes worden getraind. De bedrijven hebben hun product gebouwd op die data: hoe meer berichten en clicks gebruikers aanleveren hoe beter de algoritmes in staat zijn te voorspellen wat zij willen. Dus er moet tenminste transparantie komen over hoe die algoritmes worden getraind.”

Lees ook: acht manieren om Facebook te beteugelen

U pleit voor nieuwe publieke instituties

„Er wordt veel gepraat over socialemediaraden. Bedenk dat de bedrijven waar we het over hebben allemaal in Noord-Californië zitten, ver van de landen waar ze actief zijn. Een lokale socialemediaraad van burgers en andere belanghebbenden zou beleid, gebaseerd op mensenrechten, kunnen toespitsen op de lokale cultuur en gebruiken.”

„Maar denk ook aan onafhankelijke toezichthouders. Het is niet toevallig dat over de hele wereld onafhankelijke organisaties toezicht houden op tv en radio. Mediatoezichthouders bestaan al jaren, omdat we vinden dat radio en tv onderdeel uitmaken van de publieke sfeer. Wat is daar mis mee? Waarom hebben we geen toezichthouder voor sociale media?”

Wat kunt u als VN-rapporteur doen? Luisteren de bedrijven naar u?

„Er is luisteren en Luisteren. Ik heb de laatste jaren om de tafel gezeten met de grote techbedrijven om ze te overtuigen hun producten in lijn te brengen met de mensenrechten. Ik hoopte dat ze zichzelf zouden kunnen reguleren, maar dat lijkt een gepasseerd station. De bedrijven hebben bewezen alleen te willen luisteren naar regels, dus dat is de weg om op te gaan.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.