Spannende livestream van fietsend kind

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: hoe haar zoon via Facetime verslag doet van zijn leven. Tot die klap.
Illustratie Eliane Gerrits

De afgelopen jaren zag ik Amsterdam vanuit een interessant perspectief. Vooral veel daken, van de barokke topgevels van grachtenhuizen tot de strenge lijnen van de moderne architectuur. De Westertoren met kroon en andere kerken kwamen vaak voorbij. Ook allerlei boomtoppen en natuurlijk veel luchten – vaalgrijze vol regenbuien, knalblauwe met mooiweerwolkjes en diepzwarte met een volle maan die als een dronkenman door het beeld slingerde.

Dat alles met op de voorgrond het gezicht van onze zoon, hard trappend door de stad, terwijl hij vrolijk vertelde over zijn avonturen. Met de telefoon los in de hand gehouden, rapporteerde hij via een livestream over zijn leven. Want de tientallen minuten fietsen door de stad waren het ideale moment om naar het ouderlijk huis te bellen. Lekker keuvelen tot het bekende „Ik ben er mam, dag!”, waarop het geratel van het kettingslot klonk en het echte leven weer kon aanvangen. Twee vliegen in een klap. Het moderne multitasken. Het was natuurlijk dom om hieraan mee te doen. U heeft helemaal gelijk. Veel te gevaarlijk. Ik had de verstandige ouder moeten zijn en meteen moeten ophangen. Ik vond het alleen veel te gezellig.

Tot die klap. Gevolgd door gerinkel en gekreun. Ik zag alleen nog maar een grauwe lucht, waardoor een vliegtuig traag een witte streep trok.

„Zeg iets!”, gilde ik vanaf deze kant van de oceaan. Geen antwoord. Een lange, akelige minuut later hoorde ik een vrouwenstem: „Kun je opstaan?”

„Ik geloof het wel”, piepte de zoon.

„Het is erg onverstandig om tegelijkertijd te bellen en te fietsen”, zei de vrouwenstem.

„Beloof je dat nooit meer te doen? Hier, een zakdoek. Je bloedt.”

Dat was behoorlijk schrikken. Ik dacht dat de zoon en ik onze les geleerd hadden. Maar het fietsbellen ging natuurlijk gewoon door. Indien niet met mij, dan met vrienden. Tijdens een belangrijke voetbalwedstrijd werd er op de fiets gewoon doorgekeken. Daar hielp geen moedertje lief tegen. Een uur zonder telefoon – wat zeg ik, zelfs twee minuten – is ondenkbaar. Een verontrustende gedachte.

Gelukkig is daar nu hulp van de overheid. Bellen op de fiets is verboden. Niks geen gepreek, gedreig, gesmeek of helpende hand bij het opstaan. De overheid raakt de jeugd daar waar ze het ’t hardst voelt: niet in de portemonnee, maar in de app. Volgens onze zoon is het de eerste keer dat een maatregel hem persoonlijk treft. Een interessante les voor de toekomst. Goddank, dacht ik alleen maar.

Sinds 1 juli, de dag waarvan hij wist dat die zou komen, was het een paar dagen stil. Maar daar was hij. Tring. „Dag mam.” En daar ben ik weer, midden in Amsterdam. Met een koptelefoon en de telefoon in de broekzak beleven we nu de audioversie van het fietsbellen. Het carillon speelt een deuntje, de fietsers klingelen gezellig. Maar wacht, in de verte hoor ik een tram door de bocht gaan. Hij komt snel dichterbij. Levensgevaarlijk! Jongen, zie je hem wel aankomen? Kijk uit voor de rails. En daar, achter je, een brommer. Help!

Ik ontdek iets dat iedere schrijver weet. Een hoorspel is veel spannender dan een speelfilm.

Reacties naar pdejong@ias.edu