Bij de bloemenveiling mag je wél in dienst

Arbeidscontract Flexwerkers zijn niet meer weg te denken, maar het ‘ouderwetse’ vaste contract beleeft een herwaardering. Neem bloemenveiling FloraHolland.

Vanaf vijf uur ’s ochtends is het spits bij Royal FloraHolland. Dan wordt alles klaargemaakt voor de veiling van bloemen en planten op de grootste sierteeltmarktplaats van de wereld, met gemiddeld ruim 100.000 transacties per dag. Vanaf zes uur worden bloemen op stapelwagens gelegd, draaien de veilingklokken en wordt de geveilde waar afgeleverd bij de klanten.

Dat werk is seizoensgebonden; in het voorjaar is het een stuk drukker, zeker rond feestdagen als Moederdag. Op maandag is er altijd meer te doen dan op een donderdag, omdat in het weekend niet wordt geveild. Dus werkt Royal FloraHolland met een grote ‘flexibele schil’ van uitzendkrachten. Maar sinds een jaar probeert het bedrijf óók meer flexwerkers op een vast contract te krijgen.

In een jaar tijd heeft het bedrijf 180 medewerkers uit de flexibele schil een vast contract aangeboden, bijna allemaal voor onbepaalde tijd. Van de 2.600 personeelsleden werken er bij FloraHolland zo’n 2.000 in de logistiek, van wie iets minder dan de helft flexwerker is.

Tim Krechting, HR-manager bij FloraHolland: „We hebben heel lang geleund op het vergroten van de flexibele schil, maar we merkten dat veel van onze uitzendkrachten echt voor langere tijd bij ons bleven werken. Die kennen we goed, en we weten wat ze kunnen, dus wilden we ze een vast contract geven.”

Lokkertje

In Den Haag wordt hard gewerkt aan beleid om het aantal tijdelijke en flexibele contracten terug te dringen. In opdracht van minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) presenteerde de commissie-Borstlap onlangs een tussenrapportage. Belangrijkste conclusie daarin is dat er maar één zinnige remedie is voor de veelheid aan contractvormen in Nederland: we moeten terug naar het vaste contract.

Een werkgever en een werknemer: zo simpel moet het weer worden, stelt de commissie-Borstlap. Zzp mag blijven, flexwerk niet.

Het afgelopen jaar nam het aantal vaste contracten landelijk weer voorzichtig toe: 200.000 kwamen erbij. Bijna 5,5 miljoen mensen werken nu in een vast dienstverband.

Toch is dat nog geen reden tot optimisme, vindt Rob Witjes, hoofd arbeidsmarktinformatie en -advies bij uitkeringsinstantie UWV. Hij schreef recent een rapport over de stand van de arbeidsmarkt: „Het aantal vaste contracten neemt op het moment inderdaad toe, maar daarmee we zitten nog steeds 5 procent lager dan tien jaar geleden. Ondertussen zijn de tijdelijke contracten met 35 procent gestegen, en nam het aantal zzp’ers met 31 procent toe.”

Witjes denkt dan ook dat de toename van het aantal vaste contracten niet structureel is, maar grotendeels te danken is aan de huidige hoogconjunctuur. De werkloosheid staat nu op haar laagste punt in twintig jaar, en ook de jeugdwerkloosheid is in een hele eeuw niet zo laag geweest.

De krapte op de arbeidsmarkt is zelfs zo groot dat 79 procent van de bedrijven aangeeft er last van te hebben, rapporteert de Algemene Werkgeversvereniging Nederland (AWVN). En dus wordt het vaste contract ingezet als lokkertje. Volgens het onderzoek van de AWVN biedt 63 procent van de werkgevers een vast contract aan om personeel aan te trekken.

Maar de tijden zijn wel veranderd, zegt Witjes. „Ik ben nu 55, aan de start van mijn carrière was het logisch dat je meteen een vast contract kreeg. Nu is dat voor jongeren heel anders.” Volgens hem had tien jaar geleden bijna tweederde van de werkende mensen tussen de twintig en de dertig jaar oud een vast contract, nu is dat nog maar iets meer dan de helft.

Seizoenswerk

Evert Verhulp, hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam, ziet ook dat mensen tegenwoordig vaak genoegen nemen met een tijdelijk contract, omdat ze gewend zijn dat het nu eenmaal zo gaat. „Als je denkt dat je niet meer kunt krijgen, dan ga je er ook niet over onderhandelen.” De creatieve sector is daar een goed voorbeeld van.

Bij de 180 nieuwe vaste contracten van FloraHolland zit overigens geen enkele fulltime aanstelling, zegt HR-manager Krechting. „De contracten liggen eerder rond de twintig dan rond de veertig uur per week.” Dit komt door de aard van het werk, legt hij uit. Dat is dus sterk seizoensgebonden en kent bovendien grote pieken, vooral in de ochtend. „De uren rond het veilmoment hebben we heel veel mensen nodig, daarna weer minder.”

Daarom werken nieuwelingen met een zogenoemd jaarurencontract. In de lente werken ze relatief veel, in de winter hebben ze het rustiger. Toch krijgen ze elke maand hetzelfde bedrag uitbetaald. Het aantal uren dat iemand per maand werkt is dan niet relevant; gezorgd wordt dat iedereen in een jaar tijd op het afgesproken aantal uren uitkomt.

Dit betekent volgens Krechting ook dat een aantal flexibele arbeidskrachten geen vast contract wíllen. „Ze zeggen: als flexwerker kan ik nu meer uren krijgen en houd ik mijn opties open als ik ergens anders een kans voorbij zie komen.”

Toch zou Krechting het liefst zo veel mogelijk mensen vastleggen. „De laatste jaren hebben we bewust gekozen voor meer vaste contracten. We hebben eerder gedacht dat we minder personeel nodig zouden hebben, maar dan bleek de realiteit toch anders. En als ik naar de toekomst kijk, denk ik: de komende tijd hebben we gewoon nog heel veel mensen nodig.”

Daarbij is zijn personeel over het algemeen blij met de vaste contracten. „Ik zie hier trotse nieuwe mensen staan, die het gevoel hebben dat hun harde werk wordt gewaardeerd.”