Opinie

    • Frits Abrahams

WK-vrouwen wisselvallig

Frits Abrahams

Dat ik redelijk kalm naar de verlenging van de halve finale Nederland-Zweden kon kijken, zegt wel iets over mijn beleving van het vrouwenvoetbal. Ik volg het aandachtig, maar raak niet buiten zinnen. Als het de Nederlandse mannen waren geweest, zou ik met verhoogde hartslag de straat zijn op gevlucht.

Graag zou ik me om feministisch-correcte redenen anders voordoen, maar mijn lichaam zou me hard uitlachen: „Stel je niet aan, man, ik weet toch hoe je zit te bibberen als je die getatoeëerde patsers ziet spelen. Depay is jouw held, niet Miedema!”

Het heeft geen zin dit alles te ontkennen, maar daarmee is niet het laatste woord over het vrouwenvoetbal gezegd. Het zal nooit zo goed worden als het mannenvoetbal, zoals Serena Williams nooit van Roger Federer zal winnen en Daphne Schippers nooit van Usain Bolt, maar dat hoeft ook niet. Mannen bezitten nu eenmaal meer spierkracht en hebben daarom een natuurlijke voorsprong, zeker in topsport. Maar vrouwensport kan als kijksport even boeiend zijn mits er een hoog niveau wordt gehaald.

Dat was lang niet altijd het geval bij dit WK voor vrouwen. Ik heb goed voetbal gezien bij de Verenigde Staten, Engeland en Japan, maar er was ook veel zwak spel, ja, ook bij Nederland. Vaak deed het vrouwenvoetbal me denken aan jeugdvoetbal: nu en dan wel aardig, maar vooral erg wisselvallig. In veel wedstrijden regende het slechte passes, onhandige balaannames, mislukte schoten – tot aan een corner toe die drie meter achter het doel dwarrelde.

Dat doet pijn aan de ogen van de rechtgeaarde voetballiefhebber, die gewend is aan mannenvoetbal op het hoogste niveau. Hij (of zij!) is bereid een natuurlijk verschil in niveau te accepteren, maar amateuristisch gestuntel hoort daar niet bij.

Het vrouwenvoetbal heeft toekomst als het gespeeld wordt zoals door de VS en Engeland in hun halve finale. Daar zat alles in wat voetbal aantrekkelijk maakt: tempo, aanvalskracht, combinatievermogen. Het Nederlands elftal stelde me wat dat betreft teleur, ook in de eerste helft tegen Zweden. Het was dit toernooi vaak een stroef spelende ploeg met weinig uitblinkers – voor mij alleen Stefanie van der Gragt en Jackie Groenen. De aanvalslinie was zwak: Lieke Martens en Vivianne Miedema waren vaak onzichtbaar, Shanice van de Sanden bleek uit vorm.

Maar qua mentaliteit, eenheid en conditie was Nederland de beste. Daar ligt ook de enige kans tegen de technisch superieure Amerikaanse vrouwen, die in hun tweede helft tegen Engeland conditioneel terugvielen.

De Nederlandse vrouwen kregen scherpe kritiek te verduren, van mannelijke én vrouwelijke commentatoren (bijvoorbeeld Daphne Koster). Ze reageerden daar rustig op – heel wat beter dan hun verwende mannelijke collega’s (Depay!) zouden hebben gedaan. Het gedrag van de vrouwen op en rond het veld beviel me sowieso beter dan dat van de mannen: sportiever, minder agressief en aanstellerig.

Zou het komen doordat vrouwen betere mensen zijn dan mannen? Helaas, néé. Het komt doordat de commerciële belangen bij het vrouwenvoetbal nog minder groot zijn dan bij het mannenvoetbal. Naarmate het vrouwenvoetbal kwalitatief beter wordt, zullen ook daar de verharding en verzakelijking toenemen. Elke vooruitgang heeft een achteruitgang, zou Johan Cruijff gezegd kunnen hebben.