Wat wil het schaap? ‘Elke blaat heeft betekenis’

Wat wil het dier? Wie dagelijks met dieren werkt, leert ze écht kennen. Deze week: de herder en zijn heideschapen.

Schaapsherder Toon Coensen op de Bussumerheide.
Schaapsherder Toon Coensen op de Bussumerheide. Foto Daniel Niessen

De schapen hebben het nog eerder door dan wij. Ze stoppen met eten, met blaten, met lopen. Stilte voor de storm, letterlijk. Dan: een felle flits, een donderklap. Boven de Bussumerheide barst het onweer los. „Kom, de auto in.” Schaapsherder Toon Coensen opent de zijdeur van zijn witte bestelbus. „De kudde redt zich wel even. Juist bij bliksem geef ik ze de ruimte, om te voorkomen dat ze te dicht op elkaar lopen. Schapen hebben gelukkig als voordeel dat ze minder hoog op hun poten staan dan wij. Dat scheelt bij een inslag.”

Ruim twintig jaar hoedt Toon al schapen – ‘scheperen’, noemt hij het zelf – en altijd gaat hij de hei op, weer of geen weer. „Je kunt niet zeggen: het is rotweer of het is vakantie, ik sla een dagje over. De schapen moeten altijd eten.” Vier dagen in de week is hij aanwezig als herder in het Goois Natuurreservaat; de andere drie dagen heeft zijn collega Rozenn Le Buhan de kudde onder haar hoede.

Om 07.00 uur ’s ochtends staat Toon op de hei, en zijn werkdag duurt totdat de 345 Drentse heideschapen hun buik hebben volgegeten – vaak zo’n acht uur later. „Vorig jaar, met de droogte, hadden ze nóg meer tijd nodig om aan voldoende voedsel te komen. Maar normaal gesproken worden onze werkdagen juist korter als de dagen langer zijn. Nu bevat de heide op en top voeding. Al dat gras, daar zijn ze dol op. En dat is mooi, want zo gaan ze vergrassing tegen. Als het gras op is, schakelen ze zonder problemen over op heide – vooral de oudere struiken, die hebben een lekker bittere bijsmaak – en jonge dennen. Dat is het mooie van Drenten, vergeleken met die luxeschaapjes die je soms in stadsparken ziet grazen. Deze hier hebben weliswaar weinig vlees en slechte wol, maar ze eten vrijwel alles. Zo blijft de heide jong en open. Daar kan geen tuinman tegenop.”

De vacht ruikt hetzelfde

Een horloge heeft Toon nooit om. „Ik kijk wanneer ze volgegeten zijn. Een groot deel van mijn werk bestaat uit kijken: lopen ze niet mank, zien ze er gezond uit… Een apathische blik kan erop duiden dat ze te veel vogelkers hebben gegeten, die plant is in grote hoeveelheden giftig.”

Luisteren doet hij ook. „Elke blaat heeft een betekenis – een alarmroep, of een tip: hier is lekker gras! Net nadat de ooien geschoren zijn, hoor je de lammeren ook vaak blaten. Die herkennen hun moeder opeens niet meer, maar dat trekt snel bij. De vacht ruikt nog hetzelfde.”

De bui is voorbij, de schapen beginnen weer met eten. Toon stapt de auto uit en haalt de zwart-witte bordercollies Panda en Mads tevoorschijn: „Mijn collega’s.” Een schaapsherder kan niet zonder zijn honden. „Zou ik met topsporters in plaats van met bordercollies werken, dan zouden ze het nog geen honderd meter volhouden. Die dieren doen zó veel voor je. Vorig jaar, toen Mads en Panda nog jong waren en ik net twee oude honden kwijt was – één overleden, één met pensioen – rende ik echt de benen uit mijn lijf. Kreeg ik een uitstekende conditie van. Nu kan ik in principe weer op m’n plek blijven, terwijl zij het werk doen.”

Foto’s Daniel Niessen

Aanhalen en knuffelen mag niet, waarschuwt Toon. „Thuis krijgen ze aandacht genoeg, maar hier op de heide zijn ze aan het werk. Dan moeten ze niet te sociaal doen, anders komen ze straks met een kudde mensen thuis in plaats van een kudde schapen.”

Terwijl wij staan te praten, houden de honden de boel in de gaten. „Bordercollies zijn gefokt om zelfstandig te werken. Als ik sta te kletsen, denken ze: wij doen het wel even voor je. Die eigengereidheid is goed, maar soms lijn ik ze even aan. Zodat ze leren: af en toe even niets doen is oké. Liggen is óók werken.”

Stoppen met spelen

De schapen zijn te ver afgedwaald: tijd voor actie. „Awaaaaay”, roept Toon, en Panda schiet als een speer naar de kudde toe. „Engelse commando’s bekken lekkerder dan Nederlandse. ‘Come by’ voor als ze linksom langs de kudde moeten, ‘away’ voor rechtsom. Ik zou ook kunnen roepen ‘ga rechts’, maar dan kan ik minder variëren met intonatie. Terwijl Panda nu aan mijn stem hoort of ik bedoel: hard rechtsom, of juist met een wijde boog.” Als de schapen weer op de juiste plek zijn, eindigt Toon met „that’ll do” en gaat Panda direct liggen. „Dat laatste commando vinden ze nooit leuk, want dat betekent dat ze moeten stoppen met spelen.”

De bordercollies zijn gefixeerd op schapen, zegt Toon. „Daar zijn ze honderden jaren op gefokt. Je ziet het ook in natuurfilms, bij wilde honden en wolven: die drijven hun prooien op. En dan liggen er één of twee klaar in een hinderlaag om die opgejaagde dieren hun strot af te bijten. Die rare strottenbijter, dat ben ik. Alleen loop ik weg, in plaats van de schapen te doden. Als je geen herder hebt, dan zou je het risico kunnen lopen dat de bordercollies het overnemen: dat ze zelf de schapen gaan bijten. Die wilde kant moet je niet helemaal wegnemen. Driekwart van wat die beesten doen is dreiging.”

Zijn de honden te ver om Toon te horen, dan gebruikt hij een driehoekig fluitje om commando’s te geven. „Soms ga ik op een bankje zitten. Dan horen de honden mijn fluitsignalen nog wel, maar mensen niet meer. Dan zíe je wandelaars kijken: hoe kan het dat die schapen zich zo keurig gedragen, zonder herder in de buurt? Toon lacht. „Over het algemeen vind ik het gezellig als mensen komen kijken. Maar als ik even rust wil, ben ik ook reuzegoed in het verstoppen van mezelf en 345 schapen.”