Recensie

Recensie Boeken

De verslavende brieven van een spijbelaar

Tijs Goldschmidt De bundeling van ruim 200 brieven van de schrijvende bioloog en beeldend kunstenaar Tijs Goldschmidt leest als een liefdesverklaring aan zo ongeveer alle fauna op aarde: van vis tot dichter, van insect tot mensaap.

Tijs Goldschmidt
Tijs Goldschmidt Foto Ries van Wendel de Joode/Hollandse Hoogte

Tweehonderdacht brieven, tussen 1989 tot 2018 geschreven, prijken er in Onvoldoende liefdesbrieven, een selectie uit de correspondentie van Tijs Goldschmidt. Hij stuurde ze aan vrienden, kennissen, collega’s en opdrachtgevers, onder wie bekende namen als Menno Wigman, Jet Bakels en Nico Frijda. Alles bij elkaar vormen de brieven een sprankelend (zelf)portret van Goldschmidt, bioloog, schrijver, salsadanser, duizendpoot.

Onvoldoende liefdesbrieven heet het boek, en inderdaad: liefdesbrieven staan er strikt genomen niet in. Of toch? Dit boek leest als een liefdesverklaring aan zo ongeveer alle fauna op de aarde: van vis tot dichter, van insect tot mensaap. Goldschmidt heeft een nieuwsgierige, veelzijdige geest en stelt belang in uiteenlopende zaken. Het boek heeft iets verslavends: brief na brief wil je meer weten van wat er omgaat in zijn hoofd.

Zeker als je zelf geen bioloog bent, krijg je een inkijk in een heel nieuwe wereld. Kwesties uit de evolutie, zoals hoe soortvorming plaatsvindt, komen aan de orde, en bijvoorbeeld ook de ontdekking van trilobietensoorten, het leven van de blinde holenzalm, dwergolifantskeletten op Samos die als mogelijke cyclopen vereerd worden en de vraag wat ‘de spontaanste wang’ is bij de mens. Voor Goldschmidt zijn dit soort dingen dagelijkse kost. Dick Hillenius wordt meermalen genoemd in zijn brieven, evenals Niko Tinbergen, die Goldschmidt als zijn belangrijkste voorbeeld lijkt te beschouwen. In Rudy Kousbroek ziet hij een geestverwant.

Sushibar

Biologie en evolutie, maar ook (cultuur)geschiedenis, antropologie, kunst en hier en daar een doorsnee dagelijks boodschapje: al deze zaken komen in de brieven aan bod. Het vormt een vreemd contrast met hoe Goldschmidt zichzelf karakteriseert: als typsiche ‘spijbelaar’. Misschien is hij moeilijk aan te sturen door anderen. Maar hij wil aldoor uit zichzelf al van alles weten en lijkt zelden gewoon op zijn kont te zitten (behalve dan tijdens het vele briefschrijven).

In zijn nieuwe boek beschrijft primatoloog Frans de Waal hoe vrijwel alle menselijke emoties óók bij andere zoogdieren voorkomen. Lees ook: Chimpansees hebben dezelfde emoties als mensen

Slaapt die man eigenlijk wel? Een keer op zijn minst, want dan vertelt hij een droom na in een brief. Dromen aanhoren is doorgaans een verschrikking, ook in een boek, maar Goldschmidt weet ook hier wat van te maken. Zijn grappige droom ging over een onderwatersushibar voor vissen.

Wat leert de lezer van deze brieven verder over Goldschmidt? Hij heet Tijs omdat zijn vader dyslectisch was. Hij heeft een hekel aan Schiphol, supermarkten en parkeergarages. Hij kan links en rechts niet uit elkaar houden. Hij is niet zozeer gesloten, maar weidt zelden uit over zijn gevoelens. Boos worden vindt hij lastig, zich schamen kan hij goed. En hij is gevoelig voor depressie, iets wat nauwelijks te geloven is, zo monter als hij oprijst uit deze correspondentie: ‘Ken je het geluid van zingende roodborstmannetjes? [...] Toen ik hier in september kwam, klonk het alsof tientallen mensen met piepschuim en glas in de weer waren [...].’

Concentratiekamp

‘Een organisme is een kolonie van herinneringen aan verwekkers,’ schreef hij in 2008 aan Menno Wigman. Hij doelde op de samenstelling van DNA. Van garnaal tot groot sociaal zoogdier; we zijn gebouwd van herinneringen aan voorgangers. In zijn brieven vertelt hij af en toe een flard familiegeschiedenis. Hier valt niet helemaal een touw aan vast te knopen. Vermoedelijk liep zijn vader op enig moment weg bij zijn gezin, maar hoe dat dan precies zat wordt niet duidelijk. Vader, overlevende van Bergen-Belsen, had ‘weinig vertrouwen in het leven’ en droeg dat ‘efficiënt over’ op zijn zoon, stelt deze – ook dat zie je niet aan de brieven.

Op zijn zeventiende, schrijft hij ergens, deed Tijs Goldschmidt een suïcidepoging. Tegelijkertijd staat beschreven dat hij als jongeling een ‘uomo universale’ wilde worden. Een opvallend zelfvertrouwen (en geluk) lijkt ook te spreken uit een schrift dat hij in zijn studietijd bezat. ‘Goldschmidt Variaties’ stond erop, erin tekende hij pas ontdekte seksuele standjes.

Hoe verhoudt dit alles zich tot elkaar? Een uitgebreider notenapparaat was welkom geweest. Wel vaker biedt Onvoldoende Liefdesbrieven hinderlijk weinig context. Te dikwijls begreep ik bijna waar het in de brieven om ging; begin en afloop van een kwestie bleven dan in nevelen gehuld. Gelukkig schrijft Goldschmidt zo goed dat ik desondanks verder wilde lezen.

Mensen houden van vlooien, net als apen, staat ergens in een brief. Ook vocaal en verbaal vlooien bestaat, naar Goldschmidts idee. Daarom zijn mensen zo graag met hun mobiel in de weer. ‘Ik heb [voor het eerst] mobiel getelefoneerd!’ schrijft hij in 2007 triomfantelijk. Heerlijk, pielen op kleine knopjes. Hopelijk blijft Goldschmidt de rest van zijn leven toch ook ouderwetse brieven schrijven.