Reportage

Vers en met liefde bereid

Een vette hap is zo gescoord, maar een levendige streetfoodcultuur à la Mexico City en Bangkok hebben we niet in Nederland. Of wel? Dip it in onions and lower it down your throat.

Eettentje op straat in Calcutta, India
Eettentje op straat in Calcutta, India Foto Epa

Het is niet dat Nederlanders niet eten op straat. We eten patat op straat, hotdogs, stroopwafels, Vietnamese loempia’s. Die kun je lopend wegknagen. Net als een rookworst van de Hema. En dat doen we dan ook. Op de markt, tijdens het winkelen, onderweg naar huis, op het station. Maar niemand noemt het streetfood.

Eten op straat, we doen het massaal maar het hóórt niet. Met een hamburger door de winkelstraat slenteren: dat is ordinair. Eten doe je aan tafel. Althans, dat is de oud-Hollandsche moraal. Zo zijn veel Nederlanders opgevoed. Intussen klagen gezondheidswetenschappers dat er juist veel te veel op straat wordt gegeten, dat overal eten wordt aangeboden waar we dik van worden.

Je hoeft niet eens zover te vliegen om te zien dat in Nederland eigenlijk helemaal geen streetfoodcultuur bestaat – die vette hap beschouwen we zelden als een volwaardige maaltijd en heeft ook bijna nooit die kwaliteit.

Hoe anders is dat in de meeste delen van de wereld. Juist daar waar op straat eten geen extraatje is, maar het gewoon moet. Omdat werknemers geen kantine hebben, mensen zo ver van hun werk wonen dat ze niet tot thuis kunnen wachten, ze geen keuken hebben, of geen tijd om te koken. En waar op straat koken een manier is om met minimale kosten een bestaan op te bouwen. Waar het bovendien kán omdat er niet elk moment iemand van de voedsel- en warenautoriteit langs kan komen om te controleren of de kip wel bij minder dan vier graden bewaard wordt en de juiste snijplanken worden gebruikt.

Je zou het door de romantische beelden bijna vergeten, als je naar de Netflix-serie Streetfood kijkt. Maar in de meeste landen koken mensen op straat omdat ze niet anders kunnen. Toyo uit Osaka, die de tonijn onder een enorme gasbrander met zijn blote handen omhusselt, had net genoeg gespaard om een restaurant te openen toen hij al zijn geld nodig had om zijn tirannieke vader te begraven en geen andere plek overbleef dan de straat. En Mbah Satinem, de tandeloze oude vrouw die in Yogyakarta zoete rijsthapjes maakt, doet dit omdat ze in haar eentje haar hele familie moet onderhouden. Je wilt er niet telkens bij stilstaan als je in Mexico City op een plastic stoeltje je taco’s eet, of in Bangkok een selfie maakt terwijl je je pad thai wegslurpt, maar een levendige streetfoodcultuur zie je toch vooral in landen met lage inkomens en een tekortschietende overheid. Niet gek dus dat als de welvaart toeneemt en overheden hun werk beter kunnen doen, de straatkoks naar binnen worden gestuurd.

Roman Pilipey/EPA

Culinaire paradijzen

En ook niet gek dat in West-Europa, waar mensen door al dat gereis naar culinaire paradijzen óók streetfood willen eten, de exotische eettentjes bijeen worden georganiseerd in hallen en op festivals en markten waar het er weliswaar allemaal authentiek uitziet, maar dat per definitie niet is.

Al kun je je afvragen of streetfood een definitie nodig heeft. Of het een voorwaarde is dat het op straat wordt bereid en gegeten. Of het per se op plastic borden moet liggen. Of je altijd op gammele krukjes moet zitten. Of het goedkoop moet zijn. Moet dat? Of kunnen we ermee leven dat streetfood een containerbegrip is voor snel voedsel dat beter is dan fast food? Gewoon een handige marketingterm die ervoor zorgt dat het juiste publiek op de juist plek samenkomt om geld uit te geven.

Het ziet er misschien potsierlijk uit als je in de Londense zakenbuurt Victoria in een statig gebouw een Mexicaanse bar van zorgvuldig gebutst aluminium ziet staan, wetend dat achter deze ‘authentieke’ tacos al carbon een grote investeerder zit die als een dolle overal in Londen zulke markthallen uit de grond stampt. Maar hé, de taco’s zijn geweldig! En de bankiers uit de kantoren in de buurt die hier komen eten, zijn in zekere zin weinig anders dan de stedelingen in New Delhi of Seoel. Ze hebben hard gewerkt, ze hebben honger en ze zijn nog lang niet thuis.

Het heeft bovendien voordelen om het informele een beetje te formaliseren. Je loopt hier niet zomaar een voedselvergiftiging op, je kunt pinnen, naar de wc, en bij de volgende ‘straatverkoper’ een cocktail halen. Bovenal: je zit lekker warm terwijl het regent – misschien wel de belangrijkste reden dat streetfood aan deze kant van de wereld nooit zo’n vanzelfsprekend onderdeel van de eetcultuur kan zijn als in Azië, Afrika of Latijns-Amerika. Maar wat maakt het uit? Je kunt klagen dat die foodmarkten, foodhallen en foodfestivals braderieën in een hipsterjasje zijn, maar dan mis je de kans om op een paar honderd vierkante meter te vinden waar je ooit de wereld voor moest rondvliegen.

iStock
EPA

Kraakverse gerechten

De grens van wat streetfood mag heten, ligt misschien niet op straat maar in het gerecht. Streetfood moet vers zijn en met liefde bereid. Het reclamespotje van Conimex, waarin een lompe Hollander in Bangkok voordringt bij een straatverkoper om de ‘streetfood’-maaltijdpakketten in de supermarkt aan te prijzen, is een belediging voor de pad thai en sate ayam die je in Thailand en Indonesië op straat koopt – of gewoon hier bij een goede kok. De smaak uit een kartonnen doos heeft met die kraakverse gerechten niets meer te maken. Dat is fabrieksvoer, geen streetfood.

Als er even geen vers bereide pad thai te vinden is, omarm dan liever je eigen straatvoedsel. Lees eens een buitenlandse toeristengids over ‘Dutch streetfood’. Als je het van een afstandje bekijkt, zien die simpele Nederlandse snacks er ineens veel interessanter uit. In Nederland eten ze op straat rauwe, gezouten vis! Met schijfjes van gefermenteerde kleine komkommers! ‘Dip it in onions and lower it down your throat.’ Of eet het op de Amsterdamse manier: ‘Cut in pieces with a toothpick or a little Dutch flag.’ En sla een glaasje korenwijn niet af. Er is maar weinig straatvoedsel dat een haring kan verslaan.