Recensie

Recensie

Hoe gingen mensen vroeger om met onweer?

Onweer Jan Wim Buisman schreef een heerlijk boek over dit natuurverschijnsel, dat in de 18de en vroege 19de eeuw aanleiding was voor menig religieus geschil.

Foto: Hollandse Hoogte
    • Atte Jongstra

Op de noodlottige zondag 29 juli 1855 drijven uit het zuiden en noordwesten twee onweerswolken naar elkaar toe. Precies boven de hervormde kerk van het Betuwse Opheusden botsen ze en veroorzaken een hevig onweer. In de kerk predikt Adrianus van Herwaarden, maar hij wordt door donder overstemd. De kudde wil de kerk uit vluchten, de dominee stentort: ‘De Heer zal u bewaren!!’ Hij had beter ‘…ons bewaren!!’ kunnen roepen. Meteen hierop vonkt zijn voorhoofd en splijt de kansel. De dominee wordt uit de wrakstukken van zijn ‘houten broek’ bevrijd, dood. Al zijn gemeenteleden komen met de schrik vrij.

Dit tragische ongeluk had kunnen worden voorkomen met een bliksemafleider. In 1836 had ingenieur Krayenhoff al zijn Handleiding tot het stellen van Bliksem-Afleiders en Bijdragen over Afleiders en Het Onweder gepubliceerd. Opheusden was er laat bij, en dominee Van Herwaarden? Hij was slechts veertig jaar toen de Here hem kwam halen.

Van Jan Wim Buisman, universitair docent aan het Leids Centrum voor Religiewetenschap, verscheen Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis. 1752-1830. Het is een van die boeken over een vrij beperkt, afgebakend onderwerp die een hele wereld kunnen blootleggen. Het betreft hier dan ook niet een kleine, maar een grootse, fascinerende cultuurgeschiedenis, die zich bovendien uitstrekt buiten de aangegeven periode van 1752-1830.

Bijgeloof

Het idee van een bovennatuurlijke, straffende hand die met schichten smijt bestond al in de heidense tijden, toen men Donar vereerde in de vorm van een heilige eik. Het rooien van zulke wonderbomen door Roomse missie-ijveraars als Bonifatius verdreef dit bijgeloof niet: het Vaticaan bijvoorbeeld benoemde Donatus als beschermheilige tegen het onweer.

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze keer: Binnenshuis door bliksem getroffen

Onweerangst is hardnekkig. Alles wat de bliksem maar enigszins zou kunnen afleiden werd aangegrepen. Bosjes gemengde kruiden aan de voordeur, of de verbeelding daarvan in de vorm van siertimmerwerk op nok of gevel – Buisman noemt in dit verband de bezwerende rol van de brandnetel. Het weerluiden – fanatiek aan het klokkentouw hangen bij dreigend zwerk. De ooievaar gastvrij als brandpreventie-ambtenaar onthalen (vanwege rode poten en snavel). Smeedijzer de natuur inslingeren als Metallzauber-middel. Het zogenaamde ‘weerschieten’, in de hoop dat de ‘bliksemstof’ zich niet in bundels zal ontladen. Het trommelen met ‘donderbeitels op houten planken’.

Wat in Onweer bijzonder fraai uit de verf komt is de grote mate van bijgeloof die in het Rooms-Katholicisme overeind is gebleven, iets waar de nuchterder en schriftuurlijke Reformatie zich tegen verzette, ook in verband met onweer. Zo lieten protestanten in 1611 in de klok van de Martinikerk van Bolsward een inscriptie aanbrengen dat deze niet hielp het bedehuis en omstreken voor onweer te bewaren, maar slechts diende om de gemeenteleden bijeen te roepen. Het is maar een van vele voorbeelden die Buisman geeft van religieuze geschillen over donder en bliksem.

Fallisch substituut

En dan is er dus in 1752 de uitvinding van Benjamin Franklin, door de Duitse filosoof en natuurkundige Lichtenberg Furchtableiter genoemd. Treffend. Dat is precies wat er gebeurde, langzaam maar toch. De mens durft als het ware de bliksem in de hand te nemen. Zo gebruikt Markies de Sade de bliksem als een fallisch substituut, aldus Buisman. Inderdaad, in Justine, of de tegenspoed der deugdzaamheid lezen we: ‘De bliksem schittert, het hagelt, de wind giert, het hemels vuur zweept de wolken op; het leek alsof de natuur, verveeld over haar werk, bereid was alle elementen van haar schepping te doen versmelten, om ze te dwingen nieuwe gestalten aan te nemen.’ De deugdzame Thérèse snelt naar de ramen om deze dicht te doen. ‘Dan werpt een bliksemstraal haar achterover, midden in de salon. De bliksem is in haar rechterborst naar binnen gedrongen en na haar boezem en gelaat verschroeid te hebben, was hij er in het midden van haar buik weer uitgegaan.’

Een radiotelescoop luisterde eens niet naar buitenaardse signalen, maar naar het onweer. Lees ook: Nu weten we waar de schittering van een bliksemflits vandaan komt

Ook onze eigen prins der dichters Willem Bilderdijk komt in de buurt met zijn vers ‘Op het huwelijksbed van een bruid en bruidegom, in hun eersten huwelijksnacht door den bliksem getroffen.’ De bliksem wordt door Amerikaanse revolutionairen als metafoor gebruikt voor het despotische Engeland.

In de schilderkunst duikt onweer op als motief om ‘het sublieme’ in de natuur te versterken. En dan is er nog de buiverklanking die uit orgelpijpen kan opdonderen, Orgelgewitter ( zoek op Youtube, en huiver). Buisman wijst hier op componisten als Röhner (Het onweder, 1807) of Haydn (de onweerscène in Die Jahreszeiten, 1801).

Onweer is een te fijnzinnige en erudiete ideeëngeschiedenis over de overgangsperiode van Verlichting naar Romantiek om in deze luttele regels recht te kunnen doen. Tegelijkertijd staat het boek barstensvol vrolijk makende, niet zelden bizarre ideeën over herkomst en werking van dit natuurverschijnsel. En over bliksemafleiders: in Opheusden hebben ze er ook eentje op de kerk geplaatst. Die zal hen bewaren.