Smakelijke, sappige plaag

Joël in ’t wild Wie de weg kent in de natuur, kan er goed van eten. Joël Broekaert gaat het leren. Deze keer: Amerikaanse rivierkreeften.

Lars van den Brink

Alle dieren zijn beschermd, maar sommige dieren zijn meer beschermd dan andere. Dit is de Orwelliaanse realiteit in de Nederlandse natuur. Onze natuurwet kent drie ‘beschermingsregimes’. Wilde vogels zitten gebakken. De door de EU beschermde dieren hoeven zich ook weinig zorgen te maken. Daarna wordt het spannender. De rest is ook beschermd, maar de provincies mogen er ontheffing voor verlenen. En de arme muis, rat en mol vallen helemaal buiten de boot. Stel je voor dat je voor iedere muizenval een nummertje bij het stadsloket moet trekken.

Er is nog een groep die niet door de wet beschermd wordt: de exoten. Die hebben hier niets te zoeken. Dat zijn uitheemse dieren die hier per ongeluk terecht zijn gekomen, zoals de halsbandparkieten in het Vondelpark.

Nu doen die parkieten weinig kwaad – tenzij je je fiets onder de verkeerde boom geparkeerd hebt. Maar soms vormen exoten wel degelijk een bedreiging. Zo heeft de aanwezigheid van de Siberische grondeekhoorn bij Tilburg en Weert een negatief effect op het broedsucces van de bruine boszanger. De Amerikaanse stierkikker vreet alles wat hij kan pakken (en veroorzaakt geluidsoverlast). Het rosse stekelstaartje doet hier weinig kwaad, maar dekt in Spanje graag een witkopeendje, waardoor die genetisch dreigt uit te sterven. EU-lidstaten zijn verplicht om zulke ‘invasieve exoten’ uit te roeien.

Dan denk ik: als we er toch vanaf moeten, opeten die hap. De meeste hebben echter weinig gastronomische waarde. Stierkikker in Siberische-eekhoorn-bisque of muntjak in heilige-ibis-bouillon – ik zie het niet zo snel op de kaart staan. Amerikaanse rivierkreeftjes wel. Die vormen een plaag in onze binnenwateren, ze hebben geen natuurlijk vijanden, ze verspreiden ziektes en verdringen onze inheemse rivierkreeften. En ze zijn verschrikkelijk lekker.

Toch worden ook deze beestjes maar mondjesmaat weggevangen. Dat heeft namelijk alleen zin als je het massaal doet. Als je enkel de grote exemplaren (waar een beetje vlees aan zit) vangt, dan groeien de kleintjes explosief en wordt het probleem alleen maar erger. Tegelijk zijn beleidsmakers bang dat als de Amerikaanse rivierkreeft commercieel aantrekkelijk wordt, het de verspreiding van de soort weer in de hand kan werken.

En dus zitten we in een belachelijke spagaat: terwijl die smakelijke, sappige rode Amerikaanse rivierkreeft hier gestaag de boel kaal slaat, moeten wij het stellen met die rubberige, platgespoten staarten die helemaal in China worden gekweekt. Dat voelt niet goed. Ik zeg: flikker die kleintjes dan ook maar in de gumbo. Of trek er soep van, strandkrabben eten we verder ook niet.

Eigen rivierkreeft eerst! Bon appetit.