Recensie

Recensie Boeken

Hoe kun je nou je voorouders vermoorden?

Günther Anders Hij studeerde bij Heidegger, huwde Hannah Arendt en schreef boeken over een verzonnen land.

Foto iStock

Een wonderlijker verhaal dan De vooroudermoord van Günther Anders (1902-1992) heb ik in tijden niet gelezen. Is het wel een verhaal? Het oogt eerder als een wetenschappelijk artikel, compleet met voetnoten, nawoord en enkele aanhangsels. En dan de titel: hoe kun je nou je voorouders vermoorden?

Anders beschrijft en analyseert een archaïsch ritueel in Molussië, waar de zonen alvorens hun gestorven vader te mogen begraven het familiegraf met de voorouders dienen leeg te ruimen. Want ook al nemen de doden in aantal toe, de ondergrondse begraafplaats van Molussië moet altijd in omvang gelijk blijven.

Bij de naam Molussië herinnert men zich misschien Anders’ roman De catacombe van Molussië. De Nederlandse vertaling, van de hand van Piet Meeuse, verscheen in 2007. Een al even merkwaardig boek, bestaande uit de gesprekken, verhalen en liederen van twee onderaardse gevangenen. Meeuse is ook de – vakkundige – vertaler van De vooroudermoord. Een ‘filosofische vertelling’ noemt hij het verhaal uit 1978 in zijn nawoord en hij vergelijkt Anders met Jorge Luis Borges, ook een meester in het mixen van fictie en essay. Dat hele Molussië bestaat namelijk niet; het artikel, in weerwil van zijn ‘wetenschappelijke’ vermomming, berust volledig op fantasie.

Een verzonnen land – wie heeft zich er als kind niet aan gewaagd? Voor Anders vormt het een speelse, imaginaire omgeving voor zijn filosofische ideeën en reflecties. Geen droge theorie, maar een beeldende, zij het ook raadselachtige vorm.

Lugubere dodenstad

Anders, die eigenlijk Stern heette, bij Heidegger gestudeerd had en de eerste echtgenoot was van Hannah Arendt, is vooral bekend geworden als techniekfilosoof, diep doordrongen van de gevaren van de atoombom. Hier richt hij zich op heel andere zaken: op de geschiedenis, op het ritueel en op de relatie daarvan met kunst en cultuur. Dat klinkt zo natuurlijk suf en dor. Juist doordat het quasiwetenschappelijke artikel ook een verhaal is, waarin we twee zonen het graf van hun voorouders zien openbreken, nadat ze zijn afgedaald in de lugubere dodenstad, krijgen alle geleerde speculaties een verrassende levendigheid.

Staat de kleine dodenstad model voor ons beperkte geheugen, waarin we nooit de hele geschiedenis kunnen opslaan? Symboliseren die voorouders misschien het verleden dat ‘geruimd’ moet worden om de toekomst mogelijk te maken? Is zo’n ritueel een angstaanjagend existentieel avontuur of doen de beide zonen maar alsof en is het in werkelijkheid een soort kunstwerk, een serieus spel? Heeft onze hele cultuur soms een spelkarakter, zoals Johan Huizinga veronderstelde in zijn Homo ludens, ook al wordt hij nergens door Anders genoemd?

Literatuur, zo blijkt weer eens, is er niet voor de antwoorden. Niet toevallig blijft het belangrijkste deel van het ritueel, de daadwerkelijke verwijdering van de voorouderlijke resten, buiten beeld. We moeten het doen met slechts een – uit 33 regels bestaande – ‘Aanmaning’. Zo suggereert Anders hoe we dit even originele als mysterieuze essay-verhaal dienen op te vatten: niet als positieve kennisoverdracht, maar als een prikkelende aanleiding om zelf na te denken over de thema’s die erin worden verbeeld.