Ik was een ongewoon sterk jochie

Van geluk gesproken Coen Verbraak interviewt mensen over geluk. En over hoe dat soms naadloos verweven kan zijn met ongeluk. Deze keer: Basten Quaedvlieg over zijn scoliose.

Martien ter Veen

Toen hij een jaar of vijf was, zag de toekomst van Basten Quaedvlieg er uiterst somber uit. Een abnormaal klein jongetje met een forse scoliose – een ernstige vergroeiing in de ruggenwervels – zou nooit een normaal leven kunnen hebben.

Omdat hij door zijn ontwikkelingsachterstand ook nauwelijks sprak, zou hij vast niet goed bij zijn hoofd zijn. Dat zeiden sommige artsen ook tegen zijn moeder: „Weet u wat, mevrouw Quaedvlieg? Er zijn genoeg instellingen in de bossen waar hij best gelukkig kan worden.” Hij kan er nu, op zijn 41ste, om lachen. Hij is nog steeds klein van stuk en zijn ruggengraat beschrijft nog altijd een S. Maar hij is toch maar mooi jurist geworden. Al ging dat niet vanzelf. Neem alleen al de zware operatie die hij als kind moest ondergaan. Zijn schouderbladen stonden niet goed. „Ik kon mijn armen niet heffen.” Na de schouderoperatie – „ik was de tiende patiënt ter wereld waarbij die werd uitgevoerd” – werd hij tot overmaat van ramp wakker met een verlamde rechteram.

Hij liep 22 uur per dag met een brace om z’n torso. „Dat doet overal pijn. Ik kon ook niet normaal eten.” Hij moest door zijn verlamming leren schrijven met links, omdat zijn rechterarm niet goed werkte. Dat hij daardoor in spiegelschrift schreef, begreep de juffrouw op de basisschool niet. „Omdat ik toch gehandicapt was, kon ik net zo goed naar de LOM-school.” Tot eind jaren negentig gingen kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden naar LOM-scholen. Daar zagen leraren dat hij meer in zijn mars had. „Door hun extra aandacht mocht ik op mijn veertiende naar de mavo. Dat was voor iemand met mijn perspectief een reuzenstap. Op mijn Kerstrapport had ik zes negens.” Daarna volgde de havo. En hij ging toneelspelen. Dat ging hem verrassend goed af. „Ik ben het gewend om bekeken te worden. Daardoor heb ik het tegenovergestelde van plankenvrees ontwikkeld.” Achteraf gezien is toen ‘het grote ontdooien’ begonnen, denkt hij. „In die tijd ontstond het besef dat ik méér ben dan mijn handicap. Ik wist: de enige weg om eruit te komen is omhoog. Anders ben ik dood.” Vanaf zijn veertiende wist hij dat hij op jongens viel. Maar ze zagen hem al aankomen, met zijn beugel, zijn bochel en zijn brace. Pas toen hij journalistiek ging studeren in Utrecht, rond zijn twintigste, kwam hij uit de kast. Dat leidde tot verbaasde reacties. „Hè? Jij homo? Maar je bent toch gehandicapt?” Toch werd Utrecht voor hem „de Hof van Eden”. Vanuit zijn studentenflat had hij uitzicht op een gazon waar ’s zomers de mooiste mannen lagen te zonnen. Adonissen die mijlenver uittorenden boven zijn eigen divisie, dat begreep hij maar al te goed. Maar hij maakte van zijn nadeel een voordeel. „Op een goede ochtend lag er een buitengewoon knappe jongen op het gazon. Ik stapte op hem af. Wat had ik te verliezen? Nog diezelfde middag belandden we in bed. Ik vroeg hem: ‘Waarom doe je dit?’ Hij zei: ‘Omdat je gehandicapt bent. Ik kan iedereen krijgen die ik wil. Maar ik had het nog nooit met een gehandicapte gedaan’. Zijn advies: richt je vanaf nu altijd op de allerknapsten. Voor hun ben je interessant. En je kunt ook nog ’ns leuk met jou praten.”

Een leefvonnis

Gehandicapt-zijn kan dus een groot voordeel zijn, merkte Basten. „Ik ging rechten studeren en werd docent op de school voor de journalistiek, in het vak Recht.”

Stap voor stap wist hij zijn achterstand op het leven in te lopen. „Geluk was voor mij lange tijd iets heel moeilijks. Wie afwijkt van de norm heeft het zwaar. Totdat ik ontdekte dat veel van wat ik graag wilde, toch kon. Als je van je handicap je unique selling point weet te maken, verandert er opeens heel veel.” Inmiddels werkt hij als juridisch adviseur bij het Rijksvastgoedbedrijf. Hij woont alleen. „Maar ik kom niks tekort.” Zijn moeder maakte het allemaal niet meer mee; ze overleed toen hij naar Utrecht ging. Zijn vader is apetrots op hem. „Hij vindt het geweldig dat ik mijn leven zo goed op orde heb gekregen.” Als hij omkijkt naar dat kwetsbare jongetje dat hij ooit was, voelt hij des te meer trots om wie hij uiteindelijk is geworden. „Ik was eigenlijk een ongewoon sterk jochie. Ik hoef nu veel minder te vechten voor het bestaan dan vroeger.” Dat brengt wel een nieuw probleem met zich mee. „Ik heb heel lang gedacht dat ik jong zou sterven. Maar een arts zei laatst: jij gaat gewoon de tachtig halen. Ik kreeg geen doodvonnis, maar een leefvonnis. Daardoor zit ik nu in de fase waarin ik mezelf opnieuw moet uitvinden. Wil ik ambtenaar blijven, of misschien wel de politiek in?”

Eén ding staat voor hem vast: zijn handicap heeft zijn leven verrijkt. „Ik ben gehandicapt, en dat is maar goed ook. Dat heeft krachten in mij aangesproken die ik anders nooit zou hebben ontdekt.”

Wilt u uw eigen verhaal over (on)geluk vertellen? Mail: hetblad@nrc.nl o.v.v. Geluk